24 november
Lieve Liv
3 jaar geleden alweer.
Er is zo veel gebeurd, zo veel moois.
Weet je dat je weer een nieuw broertje hebt?
Natuurlijk weet je dat.
3 jaar geleden alweer, het moment waarop jij kwam.
Voor altijd onvergetelijk.

Lieve Liv
3 jaar geleden alweer.
Er is zo veel gebeurd, zo veel moois.
Weet je dat je weer een nieuw broertje hebt?
Natuurlijk weet je dat.
3 jaar geleden alweer, het moment waarop jij kwam.
Voor altijd onvergetelijk.

“Ik wil een roegepriek, waarom kan dat hier niet zomaar?”. Dit riep een in Nederland wonende Poolse vriendin van me enkele jaren geleden toen ze zwanger was van haar eerste kind. Ik had mijn schouders opgehaald. Wist ik veel. Ik was helemaal niet bezig met zwangerschappen, kinderen en bevallingen, laat staan met de door haar veronderstelde Nederlandse wet van onverdoofd bevallen.
Enkele jaren later, na twee om diverse redenen zeer pijnlijke bevallingen, piepte ik wel anders. “Schatje,” zei ik halverwege de zwangerschap tegen F. “Ik wil een roegepriek. Wil jij daar voor mij om vragen als ik aan het baren ben?” Hij knikte, want hij wist dat ik mijn mondigheid verlies en nergens meer om vraag als ik pijn heb. Natuurlijk, tegenwoordig kun je in het ziekenhuis gewoon een ruggenprik bestellen, was mij van diverse kanten verzekerd, maar je moet er wel expliciet om vragen. Dat mocht hij dus doen.
Voor de zekerheid liet ik het de verloskundige in het ziekenhuis ook nog eens met koeienletters in het dossier zetten. ‘Patiënt wil een epiduraal!’ stond er in het rood geschreven. Mooi. Kon niet missen. Wat had mijn Poolse vriendin nou zitten zeuren over Nederland? Natuurlijk kon je hier ook een roegepriek krijgen. Je moest het alleen even regelen. Dat was bij deze gedaan. Ik zag het al voor me: stralend ijsjes etend zou ik op mijn ziekenhuisbed verdoofd vanaf mijn middelste een lekker potje liggen bevallen. Heerlijk.
In de nacht van 10 op 11 oktober meldden F. en ik ons in het ziekenhuis. Mijn vliezen waren gebroken en de weeën konden elk moment beginnen. F. deed keurig wat ik hem had opgedragen. “Ze wil een ruggenprik.” De verpleegkundige fronste. “O? Nou, laten we eerste de weeën maar eens afwachten.”
Toen die zich enkele uren later om de vijf minuten aandienden, vroeg F. maar eens of er nog een arts naar me kwam kijken. Ze zetten namelijk pas een ruggenprik als je voldoende ontsluiting hebt, maar dat moet dan wel even worden vastgesteld.
“Ja hoor, de dokter komt zo,” klonk het geruststellend. Ik pufte mijn ergernis en ongeduld zachtjes weg.
Er was een wisseling van de wacht. En nog één. Iedere keer opnieuw zei F. het. “Ze wil een ruggenprik.” Steeds was de reactie hetzelfde. “O echt? Weet je dat zeker, meid? Maar je doet het juist hartstikke goed en beheerst.” ‘JA, DAT LUKT ALLEEN OMDAT IK WEET DAT IK EEN ROEGEPRIEK GA KRIJGEN!’ dacht ik. Maar ik zat te veel in mijn cocon en deed in stilte nog een pufje.
Vier uur puffen later, kwam de arts. Ze deed haar onderzoek en kwam tot de conclusie: 3 centimeter ontsluiting. “Ze wil een ruggenprik,” zei F. “O? Echt?” zei de dokter. “Dan mogen we wel opschieten.”
Weer een paar uur later stond de anesthesist aan mijn bed. Ik had inmiddels een weeënstorm. Niks weeën die op golven leken, aanzwollen en vervolgens weer in kracht afnamen. Dit was een overspoeling van weeën. “Ik ben bang dat je één lange pijnpiek hebt,” zei de arts zuinigjes. “Vervelend zeg.”
Er volgde een eindeloze reeks handelingen op mijn rug. Schoonmaken, verdoven, prikken, nog eens prikken, nog eens schoonmaken, desinfecteren. Ik doorstond het allemaal, alleen omdat ik wist: nog even en ik ben verlost. Dan heb ik hem: die felbegeerde roegepriek.
De naald schoof mijn rug in, ik voelde een vloeistof naar binnen sijpelen. “Houd nog een kwartiertje vol, meid” zei de verpleegster. “Dan gaat het middel werken.” Ik knikte.
De anesthesist gaf me een ferme hand en liep de kamer uit. Op het moment dat ze de deur achter zich sloot, riep ik tegen F.: “Druk op de alarmknop! Nu! Nu! Ik moet NU persen!”. In twee tellen tijd stond de kamer vol artsen en verpleegkundigen die driftig bakjes en natte lappen begonnen te verzamelen. Ik begreep het niet. Ik lag toch te wachten op de werking van de roegepriek? Hoezo persen? Daar had ik helemaal geen zin in. Ik wilde achterover liggen en ijsjes eten. Dat hadden we toch zo afgesproken?
Maar het was niet tegen te houden. Twee persweeën, welgeteld één minuut later, lag er een glibberig ventje op mijn borst. Het enige wat ik uit kon brengen was: "Hoe kan dit nou? Hoe kan dit nou?”. Ik werd van de verdovende medicatie afgehaald.
Vol trots kan ik zeggen: ja, het is me gelukt! Het kostte bijzonder veel moeite. Doorzettingsvermogen bovendien. Urenlang zijn we bezig geweest. Het was een enorme bevalling. Maar ik heb het voor elkaar gekregen: ik heb een roegepriek gehad. Ik had er alleen geen klote aan.
En nu zijn we al twee weken thuis met onze prachtige zoon Róman. Hij is ontspannen en huilt vrijwel niet. Ik soms wel, als ik hem door zijn donkere haartjes aai. Mijn missie is volbracht.


Huh? Wat? Ik? Bedoelen ze mij? Moi?
Hoe typisch vrouwelijk was mijn reactie toen ik de mail ontving waarin stond dat ik was geselecteerd voor de Viva 400, de lijst met succesvolle vrouwen die weekblad Viva dit jaar voor de vierde keer samenstelt. Nu is een vrouwelijke reactie wellicht te verwachten bij een vrouwlijke lijst, maar in wezen gedroeg ik me ronduit stompzinnig. Handje ongelovig op de borstkas gehouden, hoofd naar achteren gooiend je almaar afvragen hoe ze er bij komen om jou te nomineren en of het niet één grote vergissing was; dat kan natuurlijk alleen een wijf doen. Mannen denken veel eerder: “Tuurlijk, da’s logisch” als ze geroemd worden.
In de auto op weg naar de verloskundige zit ik er nog even over na te denken. Ik pieker al de hele morgen over wat ik moet antwoorden op de vragen die de redactie me heeft gemaild. Met name het verzoek op te schrijven wat volgens mij het belangrijkste is was ik het afgelopen jaar heb bereikt en waar ik in het algemeen het meest trots op ben, maken het me lastig. Ik ben hartstikke trots op mijn boek natuurlijk, en op mijn toneelstukken, en op mijn interviews, maar is dat het antwoord dat ze zoeken? Moet ik er niet iets relativerends bij zetten, een grapje, een kwinkslag, een ‘nou ja, zo serieus neem ik mezelf natuurlijk niet’-zinnetje? Of neem ik mezelf door er zo over na te denken juist belachelijk serieus?
Opeens ben ik het zat. Jezus, wat ben ik toch een wijf! Ik vind het hartstikke leuk om één van de 400 te zijn, good for me, doe niet zo moeilijk. En ja, ik vind dat ik een mooi boek geschreven heb. En ja, ik heb een goed gevoel over mijn eerste toneelstuk en over het tweede dat in november in première gaat (coproductie met Erris van Ginkel). En ja, ik ben gewoon het afgelopen jaar überhaupt behoorlijk lekker bezig geweest, ja. Mag het?
Vanaf nu houd ik er mee op, dat mutsengedrag, dat ‘I’m not worthy’, dat ‘Huh? Wat? Bedoelen ze mij?’. Ja natuurlijk bedoelen ze mij. Ik ben een kerel op hoge hakken, ik vind het volstrekt logisch om geprezen te worden, ik doe nooit meer iets aan mezelf af, ik ben een kerel, ik ben een kerel, ik ben een ke-...
De klap van mijn auto tegen de betonnen muur van de parkeergarage overstemt elk geluid. Verdwaasd zit ik achter het stuur. Uit de motor begint vloeistof te lekken.
Jezus, wat ben ik toch een wijf.
(Hoe het afliep? Ik en baby: ongedeerd. Auto: total loss. Mijn antwoord met een trillip op de vraag van het sleepbedrijf naar het type Mercedes dat ie moest gaan vervoeren: “Eeeeeh ik weet het niet meneer, een groene?”. Jezus, wat ben ik toch een...)

Dan heet je dus Danny.
Vroeger was je een mooie surfboy met een blokjesbuik.
Nu weeg je 270 kilo.
En wie staat er voor het programma Obese naast je met een ernstig smoeltje meelevend te knikken? Wendy van Dijk.
Ben ik nou de enige die dat obsceen vindt?
Wendy van Dijk die ooit in een interview tegen me zei er niets van te begrijpen dat mensen het leuk vinden lang te tafelen.
Wendy van Dijk die überhaupt aangaf niet zo van eten te houden.
Wendy van Dijk die een kilootje of 50 weegt en zich ergert als het drie kilo meer is.
Wendy van Dijk die op een interviewdag uitgerekend tijdens de lunch even een boodschapje ging doen.
Wendy van Dijk die in haar Ushimoesjieloesjieprogramma een dikmaakpak aantrekt om ons allemaal flink te laten lachen.
Wendy van Dijk die ik eens een vogelnestje zag maken tijdens de Bikramyoga. (Ja, dat was überhaupt een vergissing). Ik woog toen 62 kilo en voelde me naast haar reusachtig.
Die Wendy van Dijk heeft Danny een jaar lang achterna gezeten met een camera. Geen wonder dat ie in een paar maanden tijd Wendy’s volledige gewicht afgevallen was. Natuurlijk wil je dat mens van je afschudden.
Jaja, ik ben wat narrig, jaja, ik heb een skippybal ingeslikt, jaja, ik ben bijna 39 weken zwanger en kan mijn voeten niet meer zien, ik weet ook wel dat het allemaal bijdraagt aan mijn ergernis. Ik richt mijn pijlen op Wendy omdat ikzelf bij lange lange na geen vogelnestje meer kan maken. En omdat ik woest ben op die kerel met die bierpens die “Zoooo” tegen me zei, wijzend op mijn buik. Ja, zoooooo ja. "Maar bij mij gaat ie weer weg," snauwde ik. En toch heb ik honderd keer liever die vetklep voor me dan Wendy met haar camera. Mocht die onverhoopt achter me lopen een dezer dagen, dan hoek ik haar onmiddellijk dat dikmaakpak in en prop een paar loempia’s in haar mondje. Iemand nog een bamischijf?

Amsterdam 2 september 2011
Geachte medewerkers van de Belastingdienst,
Bij deze stuur ik nógmaals de door u gevraagde informatie met betrekking tot het Jaaroverzicht Kinderopvang 2010. Hierbij wil ik graag aantekenen dat ik uw eerste verzoek om informatie pas halverwege augustus heb ontvangen. Uw vraag was om voor 5 augustus te reageren maar dit was onmogelijk, daar ik uw brief pas na die datum binnen kreeg. Vervolgens heb ik keurig alles naar u opgestuurd.
Volgens een aardige medewerkster die ik zojuist aan de belastingtelefoon sprak, heeft u deze papieren ook binnen gekregen maar kunt u mijn gegevens niet in behandeling nemen omdat u ze na 5 augustus hebt ontvangen. Vandaar dat ik nu bij de post een strenge herinneringsbrief heb gekregen waarin u stelt dat als ik nogmaals niet reageer, ik de bedragen die ik over 2010 heb gekregen terug moet betalen.
Bij deze wil ik u laten weten dat ik, in tegenstelling tot wat u veronderstelt, niet helderziend ben, en dus niet in staat te reageren op een brief die ik nog niet heb gehad. Derhalve vind ik het tamelijk achterlijk dat ik alles opnieuw in moet sturen en wens ik uw veel sterkte in uw paarse krokodillenparadijs. Ik hoop dat u inmiddels voldoende geïnformeerd bent.
Vriendelijke groet,
Roos Schlikker
----

(geachte lezer van Rozig.com. Met deze brief verklaar ik het weblogseizoen eindelijk weer voor geopend. Ik heb mij een tijdje stil gehouden omdat er momenteel gewerkt wordt aan een supersonische-alles-in-één-werk-en-privéweblogslashwebsite maar die laat nog heel, heel eventjes op zich wachten. Echt, nog heel heel eventjes. Tegen de tijd dat ik antwoord van de belastingdienst heb, is ie ongetwijfeld in de lucht).
Ik weet nooit iets zeker. Ja, dat weet ik goed te verbloemen. Noem het Amsterdamse gochme, noem het overmoed of pure bluf, wie mij ontmoet denkt dat ik stevig in mijn schoenen sta. Als ik dat beeld probeer bij te stellen en mompel dat ik het ook allemaal niet weet, reageren mensen verbaasd, soms zelfs ongeduldig of ietwat geïrriteerd. “Jij? Je weet het niet? Tuurlijk wel, joh. Jij redt je altijd.” Mensen horen niet graag over twijfels, zoiets zal het wezen. De wereld is al wankel genoeg. Dus twijfel ik in stilte en rommel maar wat aan.
Gisteren was ik op de eerste Nederlandse Conferentie Narratieve Journalistiek. Ik werk momenteel aan een literaire non-fictieroman. Nou ja werk, ik worstel. Ik tik en ik twijfel, tik en twijfel, tik en twijfel nog meer. Wat is de lijn van mijn verhaal? Gaat dit de goede kant op? Wordt het niet eens tijd voor een grapje? Wat een lelijk woord is dat eigenlijk. Is het allemaal niet één grote vergissing? Ik geloof dat ik de afwas maar eens moet doen. Dit is één grote vergissing.
Dit is in het kort hoe mijn uren verlopen, afgewisseld met momenten van flow en grote vreugde waarin ik tik alsof ik door een bataljon dravende paarden achtervolgd word en iedere stap die ik zet trefzeker is. (Mmm, rare vergelijking. Of misschien juist wel mooi? Komen paarden in bataljons? Geen idee, ik twijfel. Uiteraard.)
Ik hoopte op de conferentie een heleboel praktische tips en briljante adviezen te krijgen. Die kreeg ik ook, maar dat was niet het belangrijkste waar ik mee naar huis ging. Ik sprak Judith Koelemeijer bij wie ik ooit een cursus volgde en die prachtige bestsellers op haar naam heeft staan. “Hoe gaat het met schrijven?” vroeg ik haar. Ze zuchtte. Het ging redelijk, maar ze bleef maar uitstellen. “Bij ieder boek is het hetzelfde.” Niet veel later vertelde de Amerikaanse Jacqui Banaszynski dat ze, pal nadat ze nota bene de Pullitzer Prize won, plotseling geen flauw idee meer had hoe ze een verhaal moest tikken. En Mark Kramer, ook al zo’n Amerikaanse journalistengod, gaf eerlijk toe schrijven nog steeds “een struggle” te vinden.
Dolgelukkig kwam ik thuis. Wankele wereld of niet, ik stond niet alleen in mijn getwijfel.
F. glimlachte naar me. “Er ligt een belangrijke brief op de kast,” zei hij. “Wat? De brief? Nu al? Heb je hem niet open gemaakt?” zei ik, iets te hoog van stem. Hij schudde zijn hoofd. “Ik wilde op jou wachten.” “Hoe hield je dat vol?” riep ik terwijl ik in één onhandige beweging de envelop open scheurde. Hij haalde zijn schouders op. “Ik weet gewoon zeker dat het goed is.”
Ik zag tabellen op het papier. Een lange inleiding. Berekeningen. En eindelijk, daar stond het: “De kans dat uw kindje het Down syndroom heeft, is berekend op: 1 op 7300. Dit is een normale uitslag.”
Een normale uitslag, een normale uitslag, met ons verleden snakken wij naar normale uitslagen en niet naar briefjes waarop staat: “Dit komt maar 1 keer in de drie miljoen jaar voor, jammer dat het u treft.”
De afgelopen weken ben ik lekgeprikt in het ziekenhuis, er zijn extra echo’s ingepland, de vinger wordt (soms letterlijk) voortdurend aan de pols gehouden.
De garantie dat alles goed zit hebben we niet, maar de eerste drie maanden zijn achter de rug en deze brief neemt even heel veel twijfel weg.
Ik keek F. aan. Tranen. Ik weet nooit iets zeker. Maar hij godzijdank wel.

Het is natuurlijk nog geen 40
Maar ook al lang geen 30 meer
Laat staan 20
Nu wil ik ook geen 20 meer wezen
Ja, dat zegt iedereen
Maar ik wil het echt niet
Mijn geluk groeide daarna
Met de jaren
Maar 30
Ja, dat had ik dus best willen blijven
Of 32
33 desnoods
Moet ik nu aan de botox?
Zou mijn hersencapaciteit al afnemen?
En mijn eitjesproductie?
Mijn spiermassa?
Wanneer krijg ik die eerste grijze haar?
Als je de blaadjes mag geloven
Wordt het vanaf nu allemaal minder
Maar aangezien mijn geluk
Met de jaren groeit
En ik nu al keiboelenorm gelukkig ben
Staat me nog heel wat moois te wachten
En ach, het duurt nog 365 dagen
Voor ik 37 ben.
Ik kan niet wachten.

Je had er bij moeten zijn. Dat zeg ik steeds als ik probeer uit te leggen hoe de wintersport van ruim een week geleden was. Want als ik vertel over schnitzels ter grootte van Europa, over Martin Camembert, over vliegende hertjes, over ijsberen die geroepen worden, over vrouwen die vergeten worden, over snavelacties, over snurkconcerten, over ‘Vind ik leuk’-gebaren, over de dj die in zijn eentje de wereld om hem heen op zijn kop zet en vervolgens met zichzelf in gesprek gaat op Facebook (“Woohoo!”), over oprukkende sneeuwgrenzen, over “Laat je buik eens zien!”, over Hel-Ga! en over huckenbruckenstuckenstubels, ja dan kijken mensen me steeds een beetje glazig aan, waarna ze beleefd nog even “Goh, leuk voor je,” mompelen.
Het bovenstaande toelichten? Ik moet er niet aan denken.
Maar laat ik volstaan door te zeggen dat ik iedere morgen tijdens het ontbijt, nog voor achten, minstens tien keer in een keiharde lachsalvo geschoten ben. En dan weet je het. Ik had er bij moeten zijn.

| Toon berichten 1-8 van 872 | Volgende Pagina »