"UPC-helpdesk met Roy. Waarmee kan ik u van dienst zijn?"
"Hallo UPC-helpdesk met Roy, ik heb zo'n fijne mediabox van jullie maar mijn video-on-demand-functie doet het niet."
"Nou, je bent aan het goede adres want ik ben er om je problemen op te lossen."
"Heel fijn Roy, want die functie doet het niet."
"Dat is vervelend, want u betaalt er wel voor, hè."
"Precies Roy, jij begrijpt me."
"Maar ik ben er om u te helpen, hoor."
"Nou Roy, ga je gang. O ja, ik heb die box al gereset, ik heb de bekabeling bekeken, en ik heb de ontvangst gecheckt."
"Zozo, u bent een techneut?"
"Och neuh, maar dat leek me wel nuttig. Ik denk dat je echt een monteur moet gaan sturen, Roy, want het werkt allemaal niet."
"Momentje, ik ga even kijken wat er op mijn scherm over uw apparaatgeberuik staat." (rommelderommel) "Ah, het is de stekker."
"Ja Roy, die zit in het stopcontact hoor, ik ben natuurlijk niet volslagen debiel."
"Jaaaaa, ik zie dat hij daar al 20 dagen in zit!"
"Precies, dus dat kan het niet zijn. Skip de stekker, Roy."
"Maar hij zat al die tijd in het stopcontact?"
"Eeeeeeh ja. Het is een elektronisch apparaat, dat leek me wel nuttig als je wil dat ie het doet."
"Je moet hem uit het stopcontact halen."
"Sorry?"
"Ja, om de mediabox te laten functioneren moet de stekker elke week een keer uit het stopcontact. Da's logisch."
"Da's logisch?"
"Ja. Duh! Anders doet die mediabox het natuurlijk nooit!".
En verdomd... het werkte...
Stekkers in het stopcontact is zoooooo 2008.
“Neem een witte kool, haal er een aantal grote bladeren van af en stop die in je BH. Werkt geheid.”
Ik heb een ontspannen dag achter de rug als ik ’s avonds opeens een pijnlijke plek in mijn borst voel. Het is een beetje rood en ietwat gezwollen hoewel dat laatste momenteel lastig te zien is met die enorme bonbonella's van me. Ik zeg tegen F.: "Goh, wat raar, het is net of ik hier een trap heb gekregen. Nou ja, gaat wel weer over.”
Een uur later lig ik klappertandend en zweetbadend voor apegapen op de bank en ben al googelend tot de conclusie gekomen dat ik een dikke vette borstontsteking heb, “een zeer pijnlijke aandoening” aldus het borstvoedingscentrum. Dat hadden ze er op zich niet bij hoeven zetten. Mijn god, wat doet dit zeer. Tips moet ik hebben, pillen, medicijnen, alles om dit te doen stoppen want mijn zoon moet over een uurtje weer eten en die tiet voelt alsof ie permanent door een bankschroef wordt gehaald en ik zie van de koorts roze olifanten door de kamer marcheren en dit kan gewoon niet oké zijn.
Ik google verder op zoek naar het verlossende woord.
“Neem een witte kool, haal er een aantal grote bladeren van af en stop die in je BH. Werkt geheid.”
Aaaaargh! Waarom worden serieuze problemen die met zwangerschap, bevallen of borstvoeding te maken hebben aangepakt met middeltjes waar Klazien uit Zalk haar eeuwige roem door heeft vergaard?
Ben je aan het bevallen en verga je van de pijn, dan moet je een liedje zingen met de tekst “De-ze wee komt nooit meer trug”. Echt hoor, helpt enorm, zeggen blije verloskundigen. Volgens mij helpt het meer als je tegen zo'n wijf zingt: “Deze trut komt nooit meer trug”. Wat trouwens nog veel beter helpt is een ruggenprik (note to self: EIS bij volgende bevalling een ruggenprik en verlies niet zoals op 17 september je mondigheid).
Tijdens de zwangerschap word je ook al overspoeld met tips over huis-, tuin- en keukenmiddeltjes. Ben je misselijk? Kauw eens op een gemberwortel! Dikke voeten? Wisselbaden! Brandend maagzuur? Probeer je volgende maaltijd op je hoofd staand te verorberen. Helpt geweldig!
Intussen zit ik met die tiet en die roze olifanten. Toevallig belt mijn schoonmoeder om te vragen hoe het met het jonge gezinnetje gaat. F. vertelt wat er aan de hand is. “Weet je wat je moet doen?” zegt Frans-Canadese schoonmama. Ooooh, geef me alsjeblieft een goeie tip, echt ik zal nooit meer over je klagen, kom op, je hebt jarenlang op kinderafdelingen in het ziekenhuis gewerkt, jij weet vast wat ik moet doen...
“Prend un chou,” zegt ze. Een chou? Een chou? Wat is dat ook alweer? Chou, chou... Ik heb het ooit geweten. Maar wacht eens... Is een chou niet...
Een kool??? Aaaaaaargh!
Een nacht later heb ik er echt genoeg van en bel ik de doktersdienst, ondanks alle internetadviezen die zeggen dat je het een paar dagen aan moet kijken met die kool in je BH. De arts aan de lijn vraagt me naar de koorts. Zo hoog? Oe. Het is wel heel verstandig dat ik bel, dit gaat anders niet de goede kant op. Afwachten? Ben je gek, dat is echt geen best idee, benadrukt ze nog eens. Ze schrijft meteen een receptje uit.
Inmiddels is de borst weer enigszins hersteld en marcheren de roze olifanten langzaam de kamer uit. Met dank aan Alexander Flemming.
En die kool? Die steken ze allemaal maar lekker in hun reet. Helpt vast ook reuze tegen aambeien.
Afgelopen week zat hij nog met Reinier Papíng aan de koffie. Ja, dat accent hoort op de i, want zo spreekt F. Paping nou eenmaal uit met zijn Franse tongval. Grappig genoeg zegt ie wel gewoon Elfstédentocht en niet Elfstedentócht. Komt zeker doordat hij daar lang genoeg op heeft kunnen oefenen.
In februari dit jaar begon hij er immers al aan, die film over de ontberingen van dé schaatstocht in 1963. Die ene winter toen alles kouder dan koud was en helden van ijzer en staal met kranten onder hun trui al schaatsend langs de Friese dorpen gingen. F. werd zelf in dat jaar geboren maar niemand had natuurlijk kunnen vermoeden dat hij 45 jaar later in een ander werelddeel als director of photography zou mogen bedenken hoe je een film over dit onderwerp er zo mooi en interessant mogelijk uit laat zien.
Inmiddels weet ik er alles van. Verschillende lenzen, de kleur grijsblauw die de film zijn bijzondere look and feel geeft, draaien tijdens hevige sneeuwstormen in Finland omdat het in Nederland keihard dooide, dat mijn F. met La Plán het niet over één of andere wintersportplaats in Frankrijk had maar Lapland bedoelde, de hoofdrollen van Chris Zegers en Cas Jansen, de cameo’s van allerlei andere bekende figuren, de trailer die sinds kort in de bioscoop draait.
Vanaf december is ie echt te zien: De hel van '63.
Mét Reinier Papíng!
Behalve eten, slapen, over je heen pissen en schijten, doet zo'n baby natuurlijk niet zo veel. Waarom dan toch een filmpje? Omdat het weinige wat ie doet wel heel schattig is. En omdat ik graag wil dat hij op zijn achttiende, als ie zwaar de baard in zijn keel heeft, weet wat een adorabele oe- en aaaaah-geluidjes hij kon maken...
“Heeft u een gelukkige jeugd gehad?”.
Gespannen kijkt ze me aan, het meisje van het consultatiebureau dat bij ons thuis de intake doet. Een jaar of 20 schat ik haar, 22 hooguit. Ze doet dit werk nog niet zo lang, heeft ze net verteld, terwijl ze zenuwachtig haar vragenlijstje doorkeek. Even krijg ik de aanvechting om haar te antwoorden: “Ach gelukkig, wat is gelukkig? Als ik tussen het op mijn knieën schrobben van de vloeren door terwijl de buurman mij dagelijks anaal nam en na het verplicht pijpen van de drie Mastinohonden die mijn ouders hadden en het educatief piercen van mijn eigen navel nog wat tijd over had, was ik best gelukkig, mop.”
Ik doe het niet en glimlach vriendelijk dat er niets mis was met mijn jeugd. En ook F. bevestigt dat hij zonder trauma’s is opgegroeid.
Volgende vraag op de lijst: “Bent u in staat financieel zorg te dragen voor dit kind?”.
Zodra de vader je baby heeft aangegeven bij de burgerlijke stand, treedt de ambtelijke mallemolen in werking. Er worden afspraken voor je gemaakt met de consultatiedame zonder dat je weet wat ze precies komt doen. Ze wil alleen Heel Veel van je weten.
Bovendien staat plotseling een andere mevrouw van de GGD voor de deur. Ze heeft een gehoortest in haar hand en duwt die in het oortje van Miró. Er klinkt en piepje en het is de bedoeling dat vanuit het oor een piepje terug klinkt. Dat is zo in 95 procent van de gevallen.
Maar niet bij Miró. Met grote ogen kijkt hij om zich heen, waarna de dame de slangetjes van de test in zijn andere oor wurmt. Ook geen respons. En terwijl ik me plotseling afvraag of mijn kind stokhemeltjedoof is, duwt de vrouw een naald in zijn voet. Hielprikje, om zeldzame ziektes op te sporen.
Dit gebeurde op dag 5 na de bevalling. Dat is ook de dag dat de kraamtranen kunnen losbreken. Het concept ratio heeft het kind samen met de moedermelk uit je gezogen, je ligt in een kamer met een blèrend, bloedend babietje na die hielprik en je weet zeker dat hij nooit en te nimmer normaal zal leren praten, laat staan muziek zal kunnen horen.
De GGD-dame haalt haar schouders op. Tja, het lukt wel eens niet, die test. Waar dat aan ligt? Dat weet ik niet mevrouw, ik ben geen arts, ik ben alleen een GGD-dame met een gehoortestapparaat dat ik in baby’s oren mag proppen. Over een week kom ik opnieuw, en proberen we het rustig nog een keertje. Raakt u vooral niet in paniek. Als ie doof is, kunnen we nu toch niet zo veel doen.
Juist ja. Als GGD-tje weg is, bel ik het ziekenhuis. Ik wil dat mijn zoon door een kinderarts wordt nagekeken, hik ik huilend in de hoorn. “Nee, mevrouw dat doen we niet. Deze vroege gehoortest hoort bij het landelijke beleid van de GGD. Pas een week later doen ze hem weer en beslist niet eerder. Ja, dat is beleid ja. Zo zijn de regels.”
En dus wachten we een week. F. en ik klappen bij tijd en wijle hard in onze handen. Zodra Mirootje op dat moment een beetje knippert met zijn oogjes hebben we weer hoop. Maar soms reageert hij ook helemaal niet.
Een week later staat GGD-tje weer in de woonkamer. Opnieuw gaan de slangetjes in zijn oor. En opnieuw: geen respons.
Ik besluit dat ik die film 'Children of a lesser God' maar weer eens moet huren.
Het past nu in het beleid dat er een andere test wordt gedaan door een mevrouw van het centrum voor dove en slechthorende kinderen. Voordat die komt, moeten we weer een paar dagen wachten. Het woord beleid kan ik inmiddels niet meer horen. Maar ik mag geloof ik blij zijn dat ik kan horen.
Intussen heeft het consultatiemeisje aan mijn tafel gezeten en opgetekend dat ik een reuze stabiele moeder ben. Waarom ze al die privédingen vragen? “Ach ja, zo kunnen we eventuele probleempjes snel opsporen. Dat is het beleid, hè,” glimlacht ze.
Afgelopen woensdag breekt eindelijk de dag aan van de definitieve gehoortest. Er worden plakkers op het hoofd van mijn zoon aangebracht die zijn hersenactiviteit meten. Er gaan grote doppen over zijn oren die weer geluiden op hem afsturen. Zal hij reageren?
Het duurt eindeloos voor de test klaar is. In mijn hoofd probeer ik me er al een beetje mee te verzoenen. Dove kindjes kunnen ook gelukkig zijn. We gaan gewoon allemaal gebarentaal leren. Liever doof dan blind. Hij redt het wel, ook al heeft ie een gebrek.
De vrouw kijkt naar me op en glimlacht. Dan zegt ze: “Niets aan de hand. Hij hoort prima. Wat rot dat jullie onnodig zo lang in de spanning hebben gezeten.”
Ze legt uit dat Miró’s oortjes waarschijnlijk nog te klein waren voor een andere test. Ook een KNO-arts heeft ons dat inmiddels verteld. Hij noemt het een schande dat de GGD bij te vroeg geboren baby’s meteen met die test aankomt, die moet je pas doen vanaf de datum dat je uitgerekend bent. “Maar ja, het is het beleid, hè.”
De gehoortesten zijn achter de rug. De dame van het consultatiebureau is vertrokken. Mijn kind is gezond en goed verklaard. En eindelijk, eindelijk kan ik relativerend denken wat ik vroeger altijd al dacht: “Ik heb schijt aan het beleid.” Precies zoals het hoort.