Een nieuwe pivothosting weblog

§

Sorry Ludwig

Als het goed is, kan hij al horen, zo lees ik in de zwangerschapsboekjes. En hij onthoudt ook nog wat ie hoort, beweren de schrijfsters. "Nu is dus het moment om kinderliedjes voor hem te zingen. Die herkent de baby later als hij wordt geboren en daar zal hij rustig van worden."
Jaja. De infantilisering kent geen grenzen. Maar als ze denken dat ik nu met een wazige glimlach "Altijd is Kortjakje ziek" of "Berend Botje" tegen mijn buik ga zingen, hebben ze het enorm mis. Hoewel die Kortjakje wel een geil wijf was, maar dat leg ik mijn zoon later nog wel eens uit.
Hoe dan ook, het feit dat de jongen kan luisteren is natuurlijk wel een goede reden om al met zijn muzikale opvoeding te beginnen. Ik laat hem veelvuldig Springsteen horen omdat ik vind dat ook hij moet weten "that it ain't no sin to be glad you're alive". Beethoven kent ie ook al, want dat leek me gewoon heul verantwoord. John Lennon, Huub van der Lubbe, Radiohead, het vindt allemaal zijn weg naar die kleine babyoortjes.
Nu heb ik echter één probleem. Het schijnt zo te zijn dat de ongeboren vrucht het meeste meekrijgt van wat de moeder zelf zingt. En hoewel ik voornoemde topacts natuurlijk allemaal woord voor woord meebrul, zijn hun liedjes niet de nummers die ik het meest ten gehore breng.
Ik word namelijk al twee maanden lang wakker met één liedje in mijn hoofd dat ik dus stelselmatig de eerste twee uren van de dag zing. Ik kan er niets aan doen. Het heeft zich in mijn hersenpan gebrandmerkt. Zelfs zijn vader doet mee en samen zingen we iedere dag luidkeels "Ik heb een tuintje in m'n hart."
Beethoven draait zich om in zijn graf. Sorry Ludwig.
Eén voordeel: onze zoon heeft straks een beter Surinaams accent dan Gerda Havertong. Ook leuk.

(more) §

Shrink

Ik ben niet goed in afscheid nemen.
Ik doe er ook heel weinig aan.
Ik ben doodloyaal aan mijn vrienden, foto’s of oude ansichtkaarten stapelen zich op in de lades van mijn bureau omdat ik ze niet kan weggooien, een zichtbaar overleden plant krijgt bij mij nog zes keer een nieuwe kans om weer tot leven te komen. Laatst toen ik mijn eerste autootje moest weg doen, kon ik haar niet met haar nieuwe eigenaar de straat uit zien rijden. Ik houd niet van voorgoed voorbij.

Maar vorige week gaf ik haar een afscheidshand en oei wat voelde dat goed.
We leerden elkaar kennen in januari toen alles om me heen met kilo’s tegelijk leek te zijn verzwaard. Ik deed zo hevig mijn best de zonnige kant te zien, maar hoe hard ik ook zocht, er drong te weinig licht door. En voor het eerst van mijn leven besloot ik: ik wil eens met een psycholoog praten.

Haar praktijk is bij mij in de buurt en ik mocht haar vanaf het eerste gesprek. Ze was niet zalvend, wel begripvol, maar bovendien heel goed in staat mij een weerwoord te geven. Dat mocht ik wel.
Ze zag reden om wat vaker met me te praten en voor ik het wist zat ik in therapie, iets wat ik niet zonder gegeneerd gemompel over mijn lippen kreeg.

Ik kreeg wel meer niet over mijn lippen trouwens. Dat ik soms hulp nodig had. Dat ik wel eens bang was als ik in het donker lag en dacht aan dat nieuwe kindje bij me. Dat ik niet altijd blij durfde te zijn, want voor je het weet loop je een hoek om in je leven en slaat het noodlot je keihard in je gezicht. Dat ik het zo veel makkelijker vind te roepen dat alles geweldig gaat. Dat ik niet wil huilen bij een ander. Dat ik bang ben dat mensen vinden dat ik zeur terwijl ik me alleen maar even wil laten troosten. Dat ik ook wel eens een kutdag heb. Dat ik wel beter uitkijk dat te melden, want dat is gezeik. Dat ik een kutdag al snel bestempel als gezeik. Dat ik een stoere chick wil zijn en dat ook ben. Maar soms even niet.

Vaak pushte ze me een beetje. Dan zei ze dat als ik me onrustig of ongemakkelijk voelde, ik F. maar gewoon moest bellen, ook als ie in het buitenland zat. En nee, dat doe ik dus niet zo graag hè, want ik hang liever de supergirl uit.
Maar ik belde wel en dat was goed.
Andere keren zei ze dat het helemaal niet erg was om eens eerlijk tegen een vriendin te zeggen dat ik soms nog van die nare nachtmerries heb.
Ik gooide het er plompverloren uit en ook dat was goed.
En als ik die zwangerschap zo nu en dan geen ene reet aan vond, dan moest ik dat maar gewoon lekker verkondigen, zo zei mijn shrink.
En dat deed ik, waardoor die zwangerschap een stuk leuker en grappiger werd.
Dat was héél goed.

Onlangs zat ik bij haar en zei ze me dat ze denkt dat ik wel klaar ben.
Ik had haar net verteld dat ik me goed voel, dat ik soms nog worstel maar dat ik dat nu durf toe te geven, dat ik zelfs eerlijk durf te zeggen dat ik bepaalde dagen een hormonenbom op pootjes ben, andere dagen fel as hell, weer andere dagen kwetsbaar en zo nu en dan ook nog eens mezelf.
Ik vertelde haar voor de zoveelste keer dat het goed met me gaat.
En voor het eerst geloofde ze me.
We namen afscheid en ik gaf haar een hand. Een hele stevige.



PS. In tijdschrift Mama van deze maand durfde ik voor het eerst ook een journalistiek verhaal voor het grote publiek aan Liv te wijden. Nu te vinden in de kiosk of anders binnenkort hier. §

Zwangorexia

“F.!” roep ik verschrikt uit. “F.! F.! Kom kijken! Ik heb een skippybal ingeslikt!”.
Ik blèr het zeker drie keer per week. F. kijkt er niet eens meer van op of om. Maar ik meen het: ik kan er maar niet aan wennen.

Ik ben nu een jaar zwanger.
Ja, dat is absurd en zo voelt het ook. Een olifantsdracht is het. Een jaar lang niet gezellig lam worden en geen filet americain. Daar komt het op neer. Ik geef het u te doen.
Maar gek genoeg went dat. Net als dat mijn felle uitbarstingen wennen (“Ik ben niet sjaggerijnig, ik ben duidelijk. En ik zeg nu heel duidelijk dat je gewoon enorm je bek moet houden. Houd je bek! Wat begreep je niet van die zin? Hou je...”)”) of die ergerlijke aanvallen van onzekerheid (“Niemand vindt mij liehiehief”).
Het went allemaal.

Het enige wat niet went is mijn spiegelbeeld.
Ik weet het, ik mag beslist niet klagen. Nog geen 8 kilo zwaarder ben ik en ik heb nog maar 6 weken te gaan. Ik kan me uitstekend bewegen, ik kan mijn eigen veters nog strikken, ik hijs me nog immer op de spinfiets. En als ik daar op zit, voel ik me helemaal niet raar. Hop, trappen met die beentjes.
Maar soms maak ik de fout om tijdens het sporten naar opzij in de spiegel te kijken.
Wooooooooot, wat is dat??? In plaats van de afgetrainde Lance Armstrong die ik me even waande zie ik een roodaangelopen vrouw met een vrolijk meestuiterende ballon onder haar middenrif. What the fuck? O ja, ik ben zwanger. Even vergeten.
Angela Groothuizen zei tijdens een interview ooit tegen me dat ze aan omgekeerde anorexia lijdt. Ze denkt dat ze heel slank is, tot ze in de spiegel kijkt en plotseling wordt geconfronteerd met haar kwabben. Die had ze blijkbaar zorgvuldig weggeboetseerd in haar hoofd.

Ik vrees dat ik last heb van omgekeerde zwangorexia. Ik vergeet de hele tijd dat ik een grote buik heb met een kind er in. En zelfs als ik hem in de spiegel heb gezien, weet ik hem meteen weer weg te denken. Alsof het een fantoombuik is.
Ik hoor vaak dat vrouwen die net bevallen zijn een tijd lang hun dikke buik missen. Ik betwijfel of ik tot dat slag behoor. Zo ja, dan weet ik uitstekend wat me te doen staan: skippybal om mijn nek hangen en klaar.
Maar dan wel gezellig dronken worden en filet americain eten. Er zijn grenzen.

§

Wereldrecord

Gezellig hoor, Wilfred Genee en ik hebben vanmorgen geprobeerd het wereld record snelpraten te verbeteren. Of het gelukt is? Luister hier.

§

De baard van Arnie

Wat doet ie nou, die man van jou? Nou die filmt dus. En dat filmen van hem wordt soms ook weer gefilmd, zoals gisteren door het NOS-journaal. Mijn man is die leukerd met die ruitjesblouse (na 45 sec) die later achter een camera op een quad voorbij scheurt.



O ja, over het waarom van de baard van Arnie tast ik nog altijd in het duister. Ik zal er mijn onderzoeksjournalistieke pijlen eens op richten...

Linkdump