¶ §Schaamteloze zelfpromotie
Het was de week van de leuke mannen.
Dat ik
Huub leuk vond wist ik al. Zoals ik deze week in het voorwoord van NL20 schrijf valt het nog helemaal niet mee een idool te interviewen maar omdat ik me zo had voorgenomen om niet als een dwepende bakvis tegenover hem te zitten werd het toch een lekker gepeperd gesprek.
Een paar dagen later zat ik in de bovenwoning van Marcel Musters (
Mugmetdegoudentand, Oud Geld) en had nog een fijne ontmoeting. Zo'n interview waarna je in-gelukkig naar huis fietst, zo'n gesprek dat je bij blijft en waarvan enkele quotes rondedansjes blijven maken in je hoofd.
Een voorproefje:
'Ik vind het leven erg zwaar. Ik heb de laatste jaren ervaren dat mensen zomaar opeens dood kunnen zijn, ook al zijn ze nog jong. Dood en ziekte hebben niets met rechtvaardigheid te maken. Ik vind het heel moeilijk daarmee te dealen. Ik ben ook bang dat die nare gebeurtenissen me veranderen. Als je een paar keer iets heel ergs meemaakt, loop je het risico dat je gaat denken: wat kan mij het allemaal nog schelen, we gaan toch allemaal dood. Je gaat datgene relativeren waar je als jong mens voor vecht: leven, gezien willen worden, iets neerzetten. Je moet zo oppassen dat je niet cynisch wordt. Ik wil dat het er allemaal toe doet.’
Nog een:
“Het optreden is denk ik het enige waarachtige moment, mits je niet je toevlucht neemt tot allerlei ingestarte tapes en samples tenminste. Het is toch bizar dat de Volkskrant schrijft na een optreden schrijft dat Moby en te gekke band is. Alles staat op tape! Ik meen dat je aan een band kunt horen of die waarachtig bezig zijn, of het echt is. Maar dan moet je er wel een beetje verstand van hebben en niet een of andere zure recensent zijn die…sodeju, zeg.”
De volledige interviews zijn
hier en
hier te lezen.


¶ §én
“Wat is het fris” hoor ik mensen mopperen en ze hebben gelijk.
Maar wat is het fijn.
Herfstdepressies, ik heb ze nooit begrepen, want nu juist zitten we in de periode dat je van alles een beetje krijgt. En en en, dat is het.
Er hangen nog blaadjes aan de kastanjebomen én intussen verliezen ze al hun vruchten.
Buiten zitten, het gaat nog altijd, én nu heb je de warmte van de hittelamp op het terras erbij.
Perenijsjes, ze verkopen ze nog steeds én ze staan pal naast de schappen vol pepernoten.
Waarom loopt iedereen daar elk jaar toch zo over te zeiken? Pepernoten zijn lekker, waarom mogen we daar van de feesten- en partijen-politie alleen in december van genieten? En wat te denken van een perenijsje met pepernoten? Dat kan alleen maar nu!
Dit zijn de laatste unieke weken dat al het zomerse er nog is en al het winterse al klaarstaat.
Aan het begin van de avond gloeit buiten de zon nog even op evenals binnen de open haard dat doet.
Het is fris, ja, maar overal schijnt licht.


¶ §De hummer
Noem mij pietluttig
Noem mij kleinzerig
Noem mij hysterisch
Maar ik kan het niet helpen
Ik lijd eronder
Ik kom hem soms tegen
Op plekken waar ik überhaupt
Liever niet wil zijn
In een lift bijvoorbeeld
Van een heel heel hoog gebouw
Beleefdheidshalve groet ik
De man in grijs pak
Met vrolijk contrasterende stropdas
Wat mij betreft is dan
De fase van sociaal contact voorbij
Zo niet voor de hummer
Eerst probeert ie het nog met een praatje
Lekker weer hè, jaja.
Ik knik zo afgemeten dat hij weet
Een gesprek zit er niet in
Maar hij leeft in de veronderstelling
Dat hij moet worden gezien
Dat hij moet worden gehoord
Dat hij aandacht behoeft
Mijn totale toegewijde aandacht
En dus begint hij
Met hummen
Hum, hum, hummerdehum
Op een ultravrolijk
niet nader te definieren lullig wijsje
Als ik niet reageer
Wil hij er ook nog eens bij pommen
Hum hum hummerdehum
Pomtiedomtiedom
Komt er uit zijn mond
Met zijn ogen spiekt hij
Zie ik hem wel
Deze vrolijke hummer
Die zo vreselijk goedgemutst is
En fan-tas-tsch in zijn vel steekt?
Hoor ik hem?
Zijn ontspannen gezoem,
Nee? Dan larderen we alles
met wat extra klakken
van de vaalgele tong
Hum hum hum
Pomtiedomtiedom
Klakkerdeklak
Klakkerdehum
Pomtiedieklak
23
eindeloze
hemeltergende
etage’s
lang
Ik heb geen hekel aan geluid
Ik houd van wijsjes,
Gefloten of gezongen
Maar zing en fluit dan echt
Uit volle borst
Met gehum kan ik niks
Behalve het keihard proberen te negeren
Wat me nimmer nimmer nooit lukt
Het is waar
Hummers vre-ten energie

¶ §Tot de orde
Wie chaos heeft in zijn hersenen, wil het liefst een nette omgeving.
Dat is altijd mijn argument geweest om niet op te ruimen.
Ik heb namelijk een helder hoofd, dus daarom is het mijns inziens niet nodig mijn spullen te categoriseren, in overzichtelijke laatjes en bakjes in te delen, ze op te bergen op eeuwig en altijd dezelfde plaats.
Opruimen is zonde van mijn tijd en hersenactiviteit.
Zo’n opvatting huldigen kun je lang volhouden, hoor.
Maar een sokkenla vol met enkele sokken, kapotte stringetjes, pennen (!?), en ouwe doosjes aspirientjes, nee, echt praktisch is die niet. Net als dat het niet meevalt om op een regenachtige maandagmorgen perse die rode jurk aan te willen en die nergens tussen de puinhopen te kunnen vinden om er drie dagen later na heel veel ergernis achter te komen, dat deze zich in een prop achter twee en een half paar hoge laarzen bevindt, waarna je weer driftig op zoek moet naar die ene laars die toch ook ergens moet liggen en die na heel veel overhoopgehaal zich zowaar tussen de de t-shirtstapels blijkt op te houden.
Kortom: mijn kledingkast was de afgelopen jaren een hel. Nu heb ik best wel heel veel kleding, dus gelukkig kon ik altijd wel iets tevoorschijn toveren dat enigszins gestreken was en er vrolijk en vrouwelijk uitzag, maar het was geen pretje. Meestal dook ik ’s morgens met mijn ogen half dicht de kast in, toverde lukraak een jurk tevoorschijn en spoedde me hysterisch snel weer naar buiten, bang als ik was dat de stapels en hopen textiel allemaal tegelijk om zouden vallen en me zouden bedelven.
Het moest anders, besloten F en ik, en dus lieten we een kastenwand maken.
Inmiddels is hij af en ingeridcht. Ja, we hebben een heuse kastindeling, met een heleboel handige vakjes en laatjes en zelfs een schoenenrek. Een schoe-nen-rek.
Ik heb een schoenenrek.
Ik kan niet anders dan toegeven dat ik verliefd ben. Vaak loop ik er zomaar even heen om de deuren te openen en met een zwoel zoefgeluid het rek naar me toe te trekken. Daar hangen ze. Mijn pumps. Braaf naast elkaar. Voor het eerst echt geordend.
’s Morgens werp ik één blik op de jurkenafdeling om onmiddellijk dat kleedje te vinden dat bij mijjn stemming past. Me aankleden, het is een feest. Ik heb eindelijk, eindelijk overzicht.
Jammer alleen dat ik mijn heldere hoofd sindsdien kwijt ben. Ik vergeet mijn sleutels, weet niet meer op welk adres ik ook alweer een interview had, kan niet onthouden wie ik had moeten bellen, het is een puinhoop.
Ik dool door de stad met een een gigantische chaos in mijn kop.
Op beeldige schoenen, dat dan weer wel.

