“Geluid van honderden voetstappen op een zandweg
Geluid van huid op huid
Geluid van vallende plakjes ham”
“De geur van pis van jonge jongens golft mee met de wind”
“Verraad is niet het bed
Verraad is wat men voor de tweede maal letterlijk aan een ander zegt.”
“En de dingen die we zeiden, de dingen die we deden
De liefste dingen zijn ons ver
Als schimmen in een spel zijn ze verdwenen met het licht dat in onze ogen was.”
Normaal heb ik nooit moeite met teksten leren voor het theater. Ik ben gezegend met een goed geheugen voor woordjes, dus meestal is het één keer de vloer ermee op en ik weet het grootste gedeelte wel.
Maar op bovenstaande zinnetjes ben ik al een paar weken aan het oefenen. Ik prevel ze voor me uit als ik op de fiets zit, betrap mezelf mompelend bij de pakken melk in de supermarkt, zelfs in bad omgeven door sop en schuim neem ik ze door.
En eindelijk, eindelijk beginnen de talige taal en de exacte vaak pijnlijk schurende plastische omschrijvingen te zakken.
In het stuk Radio 3 komen drie tragische vrouwen (Medea, Antigone, en Klytamnestra) in een monoloog aan het woord over het verschrikkelijke dat zij hebben gedaan. Ik speel Medea, de vrouw die haar kinderen vermoordde om wraak te nemen op haar man die een ander had. Niet bepaald een rol die dicht bij me ligt. Jaloezie en woede zijn emoties die niet zo vaak bij me naar boven komen. Ik ben er vermoedelijk te relativerend voor. Maar ik ken ze natuurlijk wel en naast het woordjes stampen, probeer ik nu dus iets bij mezelf op te zoeken dat ik doorgaans liever bedek.
Dat is spannend, maar ook bijzonder leuk. En dat is de reden waarom we het Zomerpodium hebben georganiseerd. Voor ons nieuwe regisseurs krijgen de mogelijkheid om eens met Toetssteen te werken en wij acteurs hebben de kans om het experiment aan te gaan.
En wie denkt dat het een loodzwaar experiment wordt, heeft het mis. Juist omdat alles mag en kan, valt er enorm veel te lachen, net als onderstaande mollige blije baby bij de molshoop doet. Wie weet wie dat is wint trouwens de Speurneus van het Jaar-award...
O ja, Toetssteen heeft sinds vandaag ook een heuse eigen Hyve: op deze plek vind je nog meer info over ons, inclusief compromitterend foto- en filmmateriaal!
Het Zomerpodiun is te zien in:
Fijnhouttheater 27 t/m 29 juni (zondagmatinee)
Lootsstraat 37-39 1053 NV Amsterdam
reserveren: 020 6853755
aanvang: 20.30 uur en 15.00 uur (matinee)
¶§
Karaktermoord
Op een terras in Amsterdam-Zuid (u weet ik ben een avonturier en een reislustig type dus vandaar dat ik er zat).
Twee Victoria Beckham-lookalikes, graatmager, blank maar negroïdebruin, sluik gestyled haar, zonnebril ten grote van een vliegdekschip op de neus, de één in een wit en de ander in een roze setje.
Ze zitten aan een spinaziesoepje.
Wit setje: “Wat zag je er eeeeeenig uit op dat feest!”
Roze setje: “Oooooh, vond je echt? Wat leuk!”
Wit setje: “Jaaaaa, en die juuuuuurk van je... zo bijzonder!”
Roze setje: “Ja hè, speciaal in LA gekocht.”
Wit setje: “LA? O ja dat kon je wel zien, daar houden ze wel van een beetje acryl hè, hahaha.”
Roze setje: “Het was chiffon, hoor.”
Wit setje: “Oh echt? Ik had gezworen dat het acryl was, wat gek. En dan die kleur? Heel apart! Hoe noem je dat ook alweer?”
Roze setje: “Mos.”
Wit setje: “Mos? Mos? Mijn moeder zou zeggen een poepkleur, maar kind, wat weet die ervan? Ik vond hem mooi matchen met die poep- o sorry mósgroene schoenen van je, hoor.”
Roze setje: “Die waren bruin.”
Wit setje: “O echt? Had je geen matching shoes?? Nou, je moet maar durven, hoor. Ach jij hebt zo veel lef, lieverd, ik vind dat enig aan je.”
Roze setje: “O ja?”
Wit setje: “Jaaaaaa, ik bedoel, zoals je billen ook net onder die jurk uitpiepten!”
Roze setje: “Sorry?”
Wit setje: “Heb je dat niet gemerkt dan? Nououou toen jij zo lekker met Freek je heupjes losgooide op de dansvloer kon iedereen ze zien, hoor, die kadetjes van je!”
Roze setje: “Iedereen???”
Wit setje: “Maar je hebt een beeldig kontje schat, geeft niks. Het was alleen wel een beetje gek dat je geen ondergoed aanhad... Daar is nog flink over nagepraat hihihihi.”
Roze setje: “...”
Wit setje: “Ach poppetje wat ben je stilletjes opeens! Maak je niet druk! We hebben allemaal een enige avond gehad, toch!? En lieverd, heus, jij kan echt alles hebben. Roseetje?”
Ok Ok, t is niet helemaal mijn favoriete genre (ja dat is een understatement) maar ik ben toch wel heel erg trots op mijn F als ik de trailer van The Mummy 3 zie die door hem is gedraaid. Vette shit, zeggen we dan, oftewel merde grasse!
“Ik vond je heel aandoenlijk.” zegt een oudgediende met de bijnaam Het Beest uit de wielerploeg. En bedankt. Dat is natuurlijk het laatste wat je wil zijn als je uitgemonsterd in stoer wielrenpakje de pont naar noord neemt voor je tweede zondag bij de Oostzaanse fietsploeg.
Dan wil je niet aandoenlijk zijn, maar ben je tot de tanden toe bewapend. Want Bert Wagendorp schreef het onlangs in de Volkskrant al: “De angst dat de anderen harder kunnen fietsen dan jij, is slopend. Iedereen die voor het eerst met een nieuw groepje gaat fietsen, heeft dat. Bang dat ze je finaal uit de wielen rijden en dat je een loser blijkt te zijn.”
Nee Roos, dan moet je vooral de verkeerde route nemen die niet leidt naar het Purmerland van de B-ploeg (waar de 'gewone' rijders starten) maar naar de kerk waar de A-ploeg begint te fietsen. De A-ploeg, schrik van Noord-Holland...
Laten we het er maar op houden dat mijn wazigheid ’s morgens legendarisch is. Dat is ook de enige verklaring die ik kan geven voor het feit dat ik ermee instem dat zij me wel even rustig 20 kilometer naar de dijk zullen rijden zodat ik me bij de A kan aansluiten.
Rustig is een relatief begrip. De teller staat al gauw op 36 kilometer per uur en loopt langzaam op. 37, 38, 39, 40. Dat is nog tot daar aan toe maar mijn stuurwerk is nog niet dusdanig dat ik net zo hard door de bochten ga als de rest. Bijtrappen dus na iedere bocht, manmoedig bijtrappen.
Ik krijg een duwtje in de rug van een aantal onbekenden, één van de renners kijkt om en begint te schateren. “Ben je er nou nog steeds!? Waahahahaha!”. Ik heb niet de lucht om hem te antwoorden. Bij Purmerend roep ik “Dit is zinloos!” en vervolg de tocht alleen met F.
In het koffiehuis in Edam waar iedereen halverwege de rit samenkomt ben ik weer bij mijn positieven. Doodgemoedereerd stappen de leden van de B-ploeg binnen. Lekker gereden, hoor. Ik besluit onmiddellijk me na de pauze bij hen aan te sluiten.
Maar dan is de koffie op en begint iedereen onrustig te drentelen. “Haal je fiets weg daar”, “We gaan!”, “Ik moet nog even plassen! Shiiiit!”. De nerveuzigheid is besmettelijk, het zal me niet overkomen dat ik hier nog een beetje aandoenlijk voor me uit sta te dromen als de rest al lang en breed onderweg is, besluit ik.
En dat gebeurt ook niet. Sterker nog, op de terugweg vlieg ik. Komt het door P. die me al bij het koffiehuis maant hem te volgen en met wie ik razendsnel de weg oversteek? Komt het door T. die me voortdurend bevelen geeft? “Hierrrrr!!!,” klinkt het terwijl hij met een vingertje wijst waar ik aan het wiel moet zitten. Geen wonder dat die honden van hem zo goed afgericht zijn trouwens.
Of komt het door Het Beest zelf, de man die me keurig uit de wind houdt en tot Purmerend iedere vijf seconden checkt of ik er nog bij ben? Hoe dan ook, ik finish niet lang na de A-ploeg en kan me met recht afvragen: wie is hier nou aandoenlijk?
(deze bijdrage valt met meer inside-details ook hier te lezen als je links boven op Verslag klikt. Ook andere verslagen zijn hier te vinden.)
¶§
Bargoens
Denk je dat je toch een aardig woordje bargoens mee kunt praten. 'Attelenoje' zeg je moeiteloos en ook met woorden als 'temeier', 'bijgoochem', 'gribus', 'eilie', 'mesjogge', 'sjoege' en 'makke' weet je wel raad, je bent er zelfs mee opgegroeid.
En toch blijkt uiteindelijk Joop de man die het Hogeschool Amsterdams het beste spreekt als hij vanavond over een groepje ongure types uitroept: "Ach man, dat benne allemaal garpen!".
Wanneer wij vragen wat dat in godsnaam zijn, garpen, kijkt hij ons verbijsterd aan.
"Dat weet je toch wel? Garpen!"
Eeeeeh nou, wat bedoel je daar dan precies mee, Joop?
"Nou ja, gewoon... Garpen! Ja! Garpen! Dat is gewoon simpel... Garpen! Garpen.... Dat is gewoon... slecht. Ja, die gasten zijn niet goed. Duidelijk toch? Wat ik zeg, garpen zijn het!"
Weten we dat ook weer.
Nog één dagje hoor, zo waarschuwen ze me al dagen. Dan is het opperdepop. Finito la musica. Voorbij die mooie zomer die dit jaar plaatsvond in mei.
En hoewel ik een optimistische natuur heb, ben ik geneigd mee te gaan in dit doemdenken. Nog een dagje op slippers en met zonnebril, daarna zullen we wel weer een tijdje onder een grijze deken vertoeven.
Toch jammer dat ik die laatste zonnige middag in het AMC zit. Het broeit onder het dak van het moderne ziekenhuis, mijn arm plakt aan het plastic kuipstoeltje in de wachtkamer alwaar ik al anderhalf uur blader in de Libelle Kerstspecial van 2005 (“Wist u dat gouden servetten uw hele eettafel kunnen doen oplichten? De kinderen kijken straks hun ogen uit!”).
Ik ben hier niet graag. Natuurlijk niet. Het heeft alles wat ik niet wil zien, waar ik niet bij wil horen. Gezeik bij de balie (“Maar mag ik niet even voor, ik moet zo squashen!’), patientendossiers met tekeningen van je anatomie, ponsplaatjes (heb trouwens altijd gedacht dat het een pondsplaatje was, een soort kiloknaller maar dan anders) en vieze, hele vieze koffie. O ja, en artsen met serieuze gezichten getraind in het overbrengen van slecht nieuws.
Het duurt lang, spreekuren zijn er om uit te lopen schijnt, en ik haat het van mezelf dat ik zenuwachtig ben. Ik voel me goed, ik sport me wezenloos, ik fiets afstanden en tempo’s die ik nooit eerder voor mogelijk heb gehouden, vorig jaar lijkt zo ver weg.
Maar dat is eerder zo geweest. Je weet het gewoon niet. Desease raises it’s ugly head. Net als je denkt dat het eeuwig zomer blijft, leef je plotsklaps weer in een miezerende wolk.
Eindelijk is daar de reumatoloog. Ze geeft me een zachte handdruk, ongetwijfeld gewend aan pijnlijke gezichten van mensen wier gewrichten kraken bij een ferme aanraking. Ik knijp eens goed in haar hand. Kijk eens wat ik kan!
Ze voelt en vraagt, vraagt en voelt, bekijkt het allemaal nog eens in dat dossier van me en leunt achterover. “Ik ben heel tevreden,” hoor ik haar zeggen. Ik wacht op de maar. Die komt niet. Gewoon tevreden. Wel nog even bloed laten prikken, wat extra waardes meten, maar het gaat goed, gaat u vooral zo door mevrouw, zo is het devies.
Vanmorgen heb ik ontbeten op mijn dakterras. In de felle zon. Alweer. Het is nog altijd zomer.
Het is koninginnedag en we staan er als altijd. Met oranje zonebrillen in het haar en bier in de hand. En aan het eind van de dag met oranje zonnebrillen in de hand en bier in het haar.
Zo doen we dat al jaren, gearmd schuimen we de straten af en zingen van ‘Bloed, zweet en tranen’ die overigens geen van drieën vloeien deze dag.
Zo was het, zo is het en zo zal het hopelijk altijd zijn.
Maar het einde van de avond loopt anders. De meesten zeggen niet ‘Tot gauw!’ tegen elkaar, maar ‘Tot in Kopenhagen!’.
En dat is waar we een dag later zijn. Alsof we door een teletijd- annex teleruimtemachine zijn weggezapt uit Amsterdam en zijn neergepoot in het Land van Laaf (want sorry: veel Deense mannen hebben iets laverigs. Deense vrouwen dan weer niet, die zijn keimooi en keilang en keiblond, merkwaardig genetisch verdeeld is dat).
V. gaat trouwen met zijn Deense J. (die ook niet gek is want V lijkt helemaal niet op een laaf dus dat is mooi meegenomen zelfs al verhuis je na de huwelijksvoltrekking samen naar Almere). Dus zitten we daar, opgeprikt in een klein kerkje en luisteren naar een voorganger die een speech houdt waarin ze het ongetwijfeld heeft over bøøtjes øp wøelige bæren.
De meeste jongens om me heen heb ik nog nooit in een pak gezien, veel van de vrouwen ook zelden zo op sjiek en moet je nu eens naar ons kijken. Stropdassen gestrikt, haartjes gestyled, sieraden blinken in de zon die door het kerkraam naar binnen gluurt.
Wat doen we ons best met ons gezicht in de plooi. J, doorgaans toch van de praktische kleding, heeft een trouwjurk met een hoofdletter aan en het pak van V blijkt nog duurder dan haar outfit. Zonder haperen zeggen ze ja en zonder aarzeling schuiven ze de ringen om elkaars vinger.
Natuurlijk ontroert het me zoals liefde dat altijd doet. En eigenlijk ontroert het me ook dat wij als zooitje ongeregeld zo in het gareel te krijgen zijn.
Maar dan duurt de dienst toch wel wat lang. De één dommelt een heel klein beetje weg wat tot een giechelbui van zijn buurman leidt. Een volgende probeert heel hard mee te zingen met de Deense liederen wat de mensen op het bankje voor hem dubbel doet slaan van het lachen en als klap op de vuurpijl verlaat vijf minuten voor het einde van de dienst een zekere figuur uit onze groep de kerk met de simpele verklaring: “Ja zeg. Ik moet nu echt plassen hoor.”
’s Avonds tijdens het feest gaan de stropdassen los, maken veel hoge hakken plaats voor slippers, vloeit het bier rijkelijk en schalt Hazes midden door een doodstil Deens dorp.
Je kunt ons wel uit de Jordaan halen, maar de Jordaan niet uit ons. Met geen bloed, zweet of tranen.
Het is een Canadees uit Montreal, maar dat kan ie ook niet helpen en misschien heeft ie een beetje al te goed naar Coldplay geluisterd, maar aan de andere kant: daar horen we al tijden niets van en Patrick Watson komt tenminste met mooie liedjes op het album Close to Paradise waarop hij trouwens ook wel wat experimenteler is dan Coldplay. Daarnaast zegt ie in interviews prettig zinnige dingen als "De grootste ziekte van de huidige tijd is apathie.' Couldn't agree more. En ik vind hem trouwens ook wel lekker, op een 'ik ben alternatief en heb een baard'-manier. Luisteren dus dat album!