¶ §Kosmos
Vroeger dacht ik dat ik onoverwinnelijk was.
Pijn, verdriet of dood, ik zou er vast mee te maken krijgen in mijn leven maar alleen bij anderen om me heen. Mijzelf zou het niet overkomen. Dat wist ik heel zeker. Ik ben een zondagskind. Weliswaar op Goede Vrijdag geboren, maar hallo, het heet niet voor niets góede vrijdag, hè.
Ik ben dan ook nooit bang geweest voor mijn eigen dood, wel panisch voor die van de mensen om mij heen. En hoewel ik heel wat rare capriolen heb gemaakt op fietsen en ski’s (de wet van de zwaartekracht blijft een uitdaging), was ik niet degene die haar been brak, anderen belandden op de gipsvlucht. En ziektes? Ik zou voor alle zieken die ik kende blije veldboeketten kopen als ik ze bezocht in het ziekenhuis, maar mij zou je nooit in zo’n wit bed treffen.
Ik vlinderde door mijn leven, want mij overkwam niets.
De pijn, de hel, dat zijn de anderen, om maar eens een denker volslagen misplaatst te citeren.
En ja, dan gebeurt je toch van alles.
Ik was verbijsterd toen ik een jaar of vijf geleden mijn enkel brak. Mijn bot doormidden? Hoe kan dat nou? Ik breek niet! Nooit!
De kosmos lachte me smalend toe. “Tsk. Wat denk je nou? Dat je onbreekbaar bent? Kom zeg, je bent minsten net zo kwetsbaar als de anderen. Jammer voor je, maar hier moet je het mee doen, meisje.”
Die kosmosstem is me het afgelopen jaar veelvuldig blijven bezoeken. Het vlinderende zondagskind kreeg een realitycheck. De scharnieren haperden, er waren pijntjes. Eerst wist ik ze nog handig te verbloemen. Ik deed daar hard mijn best op, want wat je een ander niet vertelt, bestaat domweg niet.
Maar toen lag ik opeens wel in dat ziekenhuisbed. En toen bleek er ook nog een echte ziekte te zijn. Niks onoverwinnelijk. “Jaja, hier moet je het mee doen, meisje,” klonk het smalend op de achtergrond.
Eigenwijzig bleef mijn blije ik terug roepen tegen die kosmosstem.
Puh, ik ga binnenkort drie weken naar Zuid-Afrika. En weet je wat het daar is? Warm, heel warm! Zul je zien: ik heb straks nergens last meer van, die gewrichten van mij kunnen hun geluk niet op.
In eerste instantie krijg ik gelijk. Het is hier baie warm. En ik maak lange fietstochten, bezoek de sportschool, laaf me aan de zon, de eerste dagen is de wereld weer van mij. Maar dan sta ik op en doet mijn heup het niet meer. Het is stijf, daar van binnen, ik kan geen kracht zetten. Ik weet dat het reumatisch is. Ik ken dit gevoel, het is als metaalmoeheid diep onder in je gewricht.
En daar is die kosmos weer. “Wat had je nou helemaal gedacht? Wanneer houd je op met naïef zijn?”
En dat is nou net het punt. Dat doe ik niet. Want die kosmos kan blèren wat ie wil, een dag later is de pijn gezakt en rijd ik weer door de wijnvelden. De zon lacht met me mee, de sproeten springen op mijn neus.
Hier moet je het mee doen, meisje, schiet er door mijn hoofd.
Correctie: hier mag ik het mee doen.
Mij hoor je niet klagen.
Hier wil ik het mee doen.


¶ §Ja hohoho ja
Ik ging naar Kaapstad om de kerst de ontvluchten en wat deed ik? Ik zette zo'n muts op m'n kop en slinger nu zelfs een kerstgroet de wereld in. Sorry hoor, mea culpa, het zal de zon wel wezen...
Sterkte met de kalkoenen!


¶ §Nie nie
Hoe kun je thuiskomen in een land dat niet het jouwe is?
Waar het niet sneeuwt met kerst.
Waar de zon iedere dag brandt.
Waar ze nog nooit van ‘Alles is liefde' gehoord hebben.
Of van Willem Holleeder.
Dat twaalf uur en vijf vliegtuigfilms vliegen ver weg is.
Een land dat zucht onder corruptie, AIDS, een verscheurde geschiedenis.
Een land dat ook de mooiste vergezichten, lekkerste wijn en fijnste vis heeft.
Een land waar ze de dubbele ontkenning gebruiken.
Ons gaat nog nie naar huis nie, nog lange nie.
Zuid-Afrika,
Ik kom hier al tien jaar, bij voorkeur met kerst.
Op internet lees ik de Nederlandse krant.
Holleeder veroordeeld, Benny Nijman ernstig ziek, pyromaan ’t Zand opgepakt.
Het zegt me weinig.
Ik heb me voor drie weken losgeweekt van Nederland.
Ik zit in het land waar ze de dubbele ontkenning gebruiken.
Waarom bestaat er eigenlijk niet zoiets als een dubbele bevestiging?

¶ §Pretlichtjes
Ik heb het beeld al honderden keren gezien in filmpjes en zoals nu live maar het blijft me ontroeren.
Bruce Springsteens die met de ogen gesloten met Little Steven samen in de microfoon zingt.
Gegarandeerd een brok in mijn keel. Wat het is weet ik niet precies. Natuurlijk, de muziek, maar het is ook iets anders. Die verweerde ietwat verfrommelde koppen. De overgave. Het genieten. Het enthousiasme. Het totale leven. Zoiets.
Ze zingen over pijn. Ze zingen tegen oorlog. Ze zijn al een dagje ouder. Ze hebben de wereld al tachtig keer met elkaar omzworven.
Maar als ze samen zingen, is er geen vleugje cynisme, geen spatje ‘Seen it all’, geen spoor chagrijnigheid. Ze zingen van de Badlands en The River, van Dancing in the dark en Born to run. Sommige van die nummers werden geschreven toen ik werd geboren. Ze zingen ze al meer dan dertig jaar.
En dan toch, in een Sportpaleis in Antwerpen, gaan de ogen dicht, komt de mondharmonica te voorschijn, zijn er de pretlichtjes waarmee ze elkaar af en toe aan kijken en is er die eeuwigdurende grijns.
Misschien zou ik het wel een beetje moeten hebben gehad. Toe moeten zijn aan iets nieuws. Wachten op het experiment. Maar dat is allemaal niet zo. Ik realiseer me dat het vermogen om te bewonderen ook een gave is, en ja, ik bewonder. Bruce Springsteen predikt hoop en blijdschap en ik ben zijn volgeling.
Na het concert rijden F en ik euforisch terug naar onze slaapplaats, een hotelletje niet zo ver van het stadion dat me via via was aangeraden.
Zachtjes openen we de deur maar worden tegengehouden door de allerverstikkende putlucht die er hangt en die ons bij iedere ademteug lijkt te vergiftigen. We kleden ons uit en poetsen onze tanden totdat F een metertje de lucht in springt. "Ik ben geprikt!” roept hij. We zien bultjes op zijn voet die wel erg lijken op vlooienbeten... De kamer wordt intussen hel verlicht omdat buiten de tl-lamp met de naam van het hotel flikkert. De witte gordijnen die voor het raam hangen hebben geen enkel nut. Ai, dit was niet wat ik me bij een nacht Antwerpen had voorgesteld.
Ik bind mijn vestje voor mijn ogen en ga in bed liggen. Gewoon slapen, klaar, denk ik. Alleen maar ademen door mijn neus, realiseer ik me vervolgens. Ik ben misselijk. Iemand betreedt zijn kamer boven ons en ik hoor exact hoe hij zijn sleutels neerlegt, dat hij zijn schoenen uittrekt, een slok water drinkt, alles. Ik heb overal jeuk.
Dit is de limit, ik moet hier weg. We springen uit bed en verlaten als dieven in de nacht het hotel. Vijf minuten later rijd ik om drie uur ’s nachts met 150 kilometer per uur over de A2 richting huis. Ik ben opvallend monter, bijna euforisch. De straten zijn donker, de verlichting doet het niet, het mist, de radio stoort. En ik scheur door. Ook dit is overgave. Ook dit is leven.
Cause honey, tramps like us, baby we were born to run...

¶ §Duits
Waarom klinkt alles in het Duits toch zo vies? Een bericht als
dit neem je in principe gewoon ter kennisgeving aan, maar dan zie je de Duitse krantenkop:

Achselnässe,dat klinkt toch als iets wat pijn doet dan wel rare bulten geeft dan wel radioactief is?
¶ §De Boze Duitser
Ik word wakker met zo’n kater waarvan ik weet dat ie de hele dag gaat duren.
Boven in de keuken wachten de restanten van een losbandig leven.
Er zijn geen aspirientjes in huis.
En de melk is op.
Er borrelt paniek naar boven.
Dat verhaal dat maandag af moet zijn!
Ik heb nog geen bron gesproken!
Ik sla aan het bellen.
Voicemail.
En nog één.
En een derde.
Gaat lekker.
Neeeeeeem op, wil ik blèren.
Maar ik laat een keurig berichtje achter.
Ik heb een droge keel.
Dan, eindelijk, iemand aan de lijn.
Op de foto? Ja nee hoor, dat wil ze niet.
Hoezo niet??? Het moeoeoeoet!!!
schreeuwt het in me.
Maar ik zeg vriendelijk dat ik het begrijp.
Vlak daarna belt een persvoorlichtster.
Waarom ik de door haar voorgestelde wijzigingen in mijn stuk niet heb overgenomen.
Eeeeeh, omdat ze stom waren? En omdat ik weiger zinnen te tikken als
“Het is een hele uitdaging maar we gaan ervoor”
Maar dat zeg ik niet. Ik zeg dat ik er nog eens naar zal kijken.
Ik moet een aspirientje en ga naar de drogist.
Er botst een bemodderde hond tegen mijn bovenbeen
En vanachter word ik aangereden door een vrouw met een kinderwagen.
Mijn achillespees doet gemeen zeer.
Maar ik glimlach en zeg dat het niet geeft.
Dan hoor ik hem.
De Boze Duitser.
Hij fietst een paar keer per dag door mijn straat.
Vaste prik.
En terwijl hij verbeten doortrapt, schreeuwt hij.
Woedend. In het Duits. Dat de wereld wordt bevolkt door Schweinhunde.
Ik heb doorgaans een beetje medelijden met hem.
Altijd maar die agressie, altijd maar zo woest zijn.
Maar vandaag ben ik strontjaloers op hem.
Vandaag ben ik een Boze Duitser
verpakt in een beleefd glimlachend wezen
dat haar schouders ophaalt als ze door een bejaarde voor de kassa
keihard aan de kant wordt geschoven die vervolgens het laatste doosje Paracetamol afrekent.
Schweinhunde!
