Een nieuwe pivothosting weblog

§

Modder

Wat bezielt mensen eigenlijk om een berg over te willen fietsen? Om een mountainbike te ontwerpen, een fiets waarmee je kunt rijden op plekken die eigenlijk onbegaanbaar zijn? Waarom niet gewoon accepteren dat iets onbegaanbaar is?
Toegegeven, deze gedachten schieten wel eens door mijn hoofd. Met name tijdens de eerste twee fietsdagen moet ik hevig wennen. Dat schakelen, dat gaat nog niet helemaal soepel (linksonder is voor t groot tandwiel van voren en links boven t kleine tandwiel en aan de rechterkant precies andersom. Of was het helemaal andersom? Nou ja, zoiets. Geloof ik.). En die keitjes waar je overheen stuitert weten al je ingewanden van hun plaats te trillen waardoor je aan het eind van de dag het gevoel hebt dat je nieren zich tussen je oren bevinden en je darminhoud in je tenen.
Op een dag zegt reisleider Jan die uberhaupt niet erg van de gebaande paden is (waarover later meer...) dat we een andere route kunnen rijden dan in de reisomschrijving staat. De tocht gaat door een natuurgebied en we zullen de eerste groep zijn met wie hij dit gaat uitproberen.
Dat hebben we geweten. De ene bergpas wisselt de andere af en de weg mag amper zo heten, het is eerder een kiezelveld. De helling is vaak zo steil dat het geen optie is op de fiets te blijven zitten, zelfs niet op die fiets die dus is gemaakt om onbegaanbare paden te trotseren.
We zitten inmiddels bijna op 4000 meter hoogte. Dit gevoel ken ik. Weinig lucht, misselijk, bonkende hoofdpijn. Ik heb de Kilimanjaro al eens beklommen. Maar dat was rustig lopend, nu moet ik rijden. Ik voel me beroerd. Vraag me af of dit wel te doen is voor mensen.
Ik denk aan een interview dat ik vlak voor mijn vertrek had met Lucia Rijker, ex-bokser en overtuigd Boedhist. Een van haar lijfspreuken is: een lotusbloem groeit in de modder.
Oftewel: je moet eerst door de shit heen wil je iets moois zien.
Ik vond het een mooie spreuk maar dat ik een dag of vier later letterlijk zelf onder de modder zou zitten en me zo uitgeput zou voelen wist ik niet.
En dan komen we boven. Ik kijk naar de hoogste bergen van Ecuador. Ze zijn besneeuwd. De zon schijnt op mijn gezicht. Een condor scheert boven het landschap. Alles aan me trilt en bibbert van de vermoeidheid. Maar ik ben trots op dat ietwat gammele lijf van me dat me nog wel eens in de steek wil laten. Niet die fiets heeft me naar boven gebracht, wel dit lichaam. Een lotus groeit in de modder. §

San Pablomeer- Ecuador

Het lijkt op de polonaise. In mijn wielerkleding maak ik kleine pasjes en hups in een cirkel achter mijn voorganger aan, een man met een lange vlecht en een hoed op. Zo dribbeldansen we met een man of twintig achter elkaar. De band speelt opzwepende muziek, mensen klappen in hun handen, kinderen staan ademloos toe te kijken naar dat groepje lange blanken dat toevallig langs fietste en het niet kon laten even bij dat eenvoudige witte kerkje te stoppen om pardoes in een groot boerentrouwfeest te belanden.
De route tot nu toe: eerst per minibus van de hoofdstad Quito naar dit meer dat we vervolgens rond fietsen. De eerste paar uur heb ik het gevoel dat ik door het decor van een film rijd. De huisjes zijn net zo armoedig als ik had verwacht maar de bewoners ervan, de figuranten, zijn perfect aangekleed met hun kleurrijke doeken. Ze zien er bijna te stralend uit. En overal klinkt muziek, overal wordt gezongen. Zo kan het echte leven toch niet zijn? Dit is zo Zuid-Amerikaans, zo´n Frida Kahlo-setting, dit voelt onwerkelijk.
Maar dit bruiloftsfeest is echt, wij zijn de indringers, degenen die niet lijken te passen in deze omgeving.
Ik maak me los uit de rondedans om de boel eens van een afstandje te bekijken. Ik loop langs een oudere dame die geknield bij een kleed op de grond zit met daarop een enome berg gekookte aardappelen en bonen. Ze wenkt me, gebaart dat ik moet proeven. Ik neem een hap. Het is lekkerder dan ik had verwacht. Net als dat deze omgeving mooier is dan ik had verwacht en de mensen blijer. Als dit een film is, dan is het een hele mooie. Ik duik opnieuw de polonaise in. §

Poep in je hoofd

In deze laatste week voor mijn vakantie moet alles af. Want vanaf die berg in Ecuador kan ik geen stukjes tikken, simpel. Dus ook de verhalen met een deadline die pas over twee weken ligt moeten nu geschreven zijn, en gelezen, er moet beeld bij verzonnen zijn, en er moet gesteggeld over worden met woordvoerders (“Dat heeft meneer niet zo gezegd.” “Jawel, dat heeft meneer wel zo gezegd. Luister maar, hier staat het op het bandje.” “Dan heeft meneer dat niet zo bedoeld.” “Hij zegt hier dat hij dit erg stellig meent.” “Dan WIL ik niet dat hij het zo bedoeld heeft!” etc.).

Allemaal niet erg, dit zag ik aan komen. En omdat ik niet te gestresst wilde weggaan heb ik vorige week reeds al mijn afspraken en telefonische interviews vastgelegd. Zodat ik me niet ook nog eens in allerlei bochten moest wringen om diverse bronnen te pakken te krijgen.
Heel goed bedacht van mij. Ik was alleen vergeten dat als je in een week tijd naar Amersfoort, Enschede, Den Haag en Tilburg moet en je intussen op benzinestations je telefonische interviewtjes houdt (“Wat hoor ik daar nou?” “Oh dat is een toeterende trucker met een sticker op zijn raam waarop staat dat hij liever een kleine heeft die steigert dan een grote die weigert. Niets van aan trekken, vertelt u vooral verder.”) je aan één dingetje niet echt toekomt. Het schrijven zelf.
Tja.

Maar vanmorgen heb ik het goed bedacht. Mijn eerste afspraak is om 10 uur dus ik kan best vanaf 7 uur gaan tikken. Lekker rustig nog. Geen telefoon die gaat, geen e-mail die binnen twee seconden afgehandeld dient te worden. Zennn-kopje koffie erbij. Ik zit er helemaal klaar voor.

En dan begint het. Het geluid van een enorme drilboor die de vullingen uit mijn kiezen doet springen, dit gelardeerd met schreeuwende mannen (“ORLANDOOOOOO! NEEEEE! DAT MOT DAAAAAAAROOOO!”) en on top of it al een waterval aan geruis van puin dat door de stortkoker de straat op wordt gesmeten.
Ik kijk wanhopig uit het raam “Ja sorry hoor moppie, “ zegt Orlando. “Maar t mot af hè voor de bouwvak. We hebben een deadline.”
Ik knik.
Ik weet er alles van.
Met de laatste hit van Christina Aguilera dreunend door de boxen komt een kraanwagen aangereden om de zoveelste container weg te slepen. Op zijn raampje een sticker met de tekst “Jou wil ik wel eens in je bek schijten.”
Ik had het niet beter kunnen formuleren.

§

Spitsuur

Bij het stoplicht
Staan de haastigen
altijd helemaal vooraan
Zo ver vooraan
Dat ze de lampen
niet op groen zien springen
En dus nog met rode koppen
Verwilderd om zich heen kijken
Terwijl de achterhoede
Hen Passeert
Mooi
Die wet van de remmende voorsprong

§

Wereldvrouwen

In de bagellunchroom. Twee Heel Hippe Amsterdamse Stadsmeisjes.
Kleding: de gewenste mix van modern en vintage.
Haar: nonchalant maar toch gekapt.
Blik: Vrouw van de wereld.

Meisje 1: “Nououou, heb je t gehoord van Bibi?”
Meisje 2: “Jaaaa, echt be-la-che-lijk!”
Meisje 1: “Hoe komt ze er bij?”
Meisje 2: “Ze is echt zo naïef weetje”
Meisje 1: “Ja, ze heeft gewoon heel weinig meegemaakt.”
Meisje 2: “Ze weet zo veel dingen niet, echt hoor, ze is heel simpel af en toe.”
Meisje 1: “En nou gaat ze naar India!”
Meisje 2: “Jaaaaa, India. Hoe kom je er op?”
Meisje 1: “India is echt vet gevaarlijk man. Ik weet zeker dat ze zich helemaal niet heeft voorbereid.”
Meisje 2: “Ze is zooooo naïef. Ze heeft geen idee wat ze kan verwachten.”
Meisje 1: “Ja weet zij veel. Wat voor taal spreken ze daar nou helemaal? Ik zou echt even een cursusje volgen, hoor.”
Meisje 2: “Ja. Alsof ze in India Engels spreken. Ha! Echt niet. Dat weet toch iedereen!”
Meisje 1: “Ze weet echt niks van dat land.”
Meisje 2: “Precies. En die mensen dan daar... Ze kent er niemand. Ze weet helemaal niet wat de gebruiken zijn.”
Meisje 1: “Dat is een heel andere cultuur, hoor. Meisje, meisje, denk ik dan. Wat moet jij straks tussen die Indonesiërs?”
Meisje 2: “Simpel man. Ze is echt simpel, die chick.”
Meisje 1: “Ga jij eigenlijk nog wat doen deze zomer?”
Meisje 2: “Mwoah. Misschien een paar dagen naar Brussel."
Meisje 1: “Hé trouwens, roep even de serveerster, dit broodje is niet goed.”
Meisje 2: “Hoezo?”
Meisje 1: “Er zit een gat in.”
Meisje 2: “Je moet ze ook alles uitleggen hier.”


§

Tipsy

In het kader van ‘Twee weken Zuid-Frankrijk is ook maar zo gewoon’ besloten mijn vader, zijn vriend P., F. en ik dat we wel weer eens toe waren aan een nieuw avontuur. Die berg in Afrika is weliswaar beklommen, maar er zijn nog zat hindernissen te nemen en waarom zou je daar niet je zomervakantie voor gebruiken? En dus vertrekken we over een paar weken voor een mountainbiketocht door Ecuador.

Eerlijk gezegd heb ik geen flauw idee wat ik me daar bij voor moet stellen. Ik ben niet zo van het eindeloos wikken en wegen voor ik een vakantiebestemming uitkies. Meestal gaat het zo:

Vader: “Hé ik hoorde van P. dat ie wil gaan mountainbiken in Ecuador. Zullen we dat doen?”
Ik: “Sure! Ja! Leuk! Denk ik!”

Geen reisgids gezien, geen boekje gelezen over de route, niet nagegaan wat je zoal moet kunnen en o ja, in geen jaren meer een mountainbike aangeraakt. Gewoon geboekt. Komt vast goed. Zo ging het in Tanzania ook.

Maar omdat ik natuurlijk niet helemaal achterlijk waanzinnig ben, bereid ik me wel enigszins fysiek voor. Hoe de reis ook gaat verlopen, ik wil in ieder geval met een ijzersterke conditie op pad.
En dus moet er gespinnd (of gesponnen? Geen idee) worden. Bij mijn instructeurs van Squash City: Giovanni de Wrede Neger bijvoorbeeld, of Epco “Niet zeuren jullie zijn topsporters jaaaa...”, de Intervalspecialist.
Omdat ik niet zo goed maat kan houden heb ik me er de afgelopen week al vier keer gemeld. Lekker hoor, daar niet van. Maar er is een klein nadeel. Nee, niet het feit dat ik vlak na de training zulke verzuurde bovenbenen heb dat ik een trap oplopen al een uitdaging vind. En nee, ook niet het gegeven dat ik die trainers af en toe kan killen zo laten ze me lijden. Vind ik allemaal prima.

Maar er is één probleem: ik kan niet tegen drank.
Hoewel mijn vrienden me een drinkmietje noemen (maar die zijn dan ook buitenaards), vind ik dat ik bier- en wijntechnisch doorgaans best met de grote jongens mee kan doen. Ik sta niet zo snel merkbaar op m’n kop en wissel graag het ene rondje met het andere af in de kroeg. En ik heb een bloedhekel aan meisjes die na het tweede wijntje al een beetje aangeschoten beginnen te worden. Of erger nog: gaan zeggen dat ze ‘tipsy’ zijn. Tipsy! Tsk. Zo'n gemuts.

Maar als ik zwaar heb getraind, is het anders. Dan heb ik blijkbaar zo veel reserves moeten aanspreken dat de alcohol linea recta zijn werk doet. Lees: genadeloos toeslaat. Inmiddels begrijp ik dan ook waarom sporters op trainingskamp niet drinken. Niet alleen omdat het de prestaties beinvloedt, maar vooral omdat ze veel te snel lam zijn. En dat wil je niet als iedereen om je heen pas net een beetje op dreef begint te raken. Geen drank dus voor die gasten.
Maar ja, ik ben niet op trainingskamp. Ik ben aan het trainen en daarnaast leef ik mijn gewone leven. Inclusief drank.
Vanavond ga ik naar het concert van Keane. Vanmorgen heeft Giovanni de Wrede Neger me een uur lang met een hartslag van 170 een virtuele Alpe d'Huez laten klimmen.
Maar ik laat me niet kennen. Ik kan het aan. Wie kan klimmen kan ook dalen. ’s Morgens een vent, ’s nachts een vent!
Of zoiets...

§

Bij de Etos

“Dat is dan 2 euro 39.”
“Alstublieft. Ik hoef geen tasje hoor.”
“Echt niet?”
“Nee.”
“...” Doet greep onder de toonbank.
“Mevrouw, ik hoef dus geen tasje.”
“Huh?”
“Die tube tandpasta kan wel in mijn handtas, dank u.”
“O ja. Hier. Uw wisselgeld.”
“Dank.”
“En hier het bonnetje.”
“Mevrouw, waarom doet u dat bonnetje nou in een tasje?”
“Wilde u er dan geen?”
“NEE! Ik hoef niet voor elk wissewasje een plastic tas. Slecht voor t milieu weet u.”
“O maar wij hebben spaarlampen. ”


En dan zijn ze nog verbaasd dat we die klimaatverandering niet kunnen stoppen.

§

Leeg

Ik heb te veel gedronken vannacht.
En te weinig geslapen.
Ik word wakker van een zwaar hoofd gevuld met veel. Drankverhalen natuurlijk, maar ook stress, gedoe. De afgelopen week was een beetje heftig. Zo gaat dat soms.
Ik kijk naar buiten en zie een schamel zonnetje.
“Zullen we varen?” vraagt F. Ik weet het niet. Ik heb al zo veel aan m’n kop, ik ben moe, katerig en katterig, moet ik dan ook nog de trossen los gaan gooien? En ach, mooi weer blijft het toch niet, mompel ik nog. Maar als ik in de spiegel kijk, zie ik een grauw gezicht dat wel wat frisse lucht kan gebruiken.
Een half uurtje later dobberen we door de gracht. Ik heb eindelijk dat boek uitgelezen waar ik al zo lang mee bezig was. Ik lig met mijn ogen dicht de zon te voelen. Het is fris als er een wolk voor schuift, maar du moment dat die wegzeilt gloeit de warmte op. Mijn wangen krijgen kleur.
Als ik mijn ogen open doe en staar over het water zie ik overal mensen die hetzelfde doen als ik. Dat ene zonnestraaltje pakken, die hunkerende blik omhoog. Een meerkoet koet en voert zijn jong een stukje brood. Op de kade aan het water zit een oudere dame in het laatste beetje licht een boek te lezen. Er klinkt gebabbel van de terrasjes. Een meisje is met een glas wijn op de stoep voor haar woning gaan zitten. Ik zwaai even. Ze knikt terug. Mijn hoofd is leeg en licht. Er zit alleen nog de gelukkige gedachte in dat mensen, hoe regenachtig de zomer ook is, altijd dat ene straaltje zon opzoeken om hun boekje te kunnen lezen.

Linkdump