Roegepriek
“Ik wil een roegepriek, waarom kan dat hier niet zomaar?”. Dit riep een in Nederland wonende Poolse vriendin van me enkele jaren geleden toen ze zwanger was van haar eerste kind. Ik had mijn schouders opgehaald. Wist ik veel. Ik was helemaal niet bezig met zwangerschappen, kinderen en bevallingen, laat staan met de door haar veronderstelde Nederlandse wet van onverdoofd bevallen.
Enkele jaren later, na twee om diverse redenen zeer pijnlijke bevallingen, piepte ik wel anders. “Schatje,” zei ik halverwege de zwangerschap tegen F. “Ik wil een roegepriek. Wil jij daar voor mij om vragen als ik aan het baren ben?” Hij knikte, want hij wist dat ik mijn mondigheid verlies en nergens meer om vraag als ik pijn heb. Natuurlijk, tegenwoordig kun je in het ziekenhuis gewoon een ruggenprik bestellen, was mij van diverse kanten verzekerd, maar je moet er wel expliciet om vragen. Dat mocht hij dus doen.
Voor de zekerheid liet ik het de verloskundige in het ziekenhuis ook nog eens met koeienletters in het dossier zetten. ‘Patiënt wil een epiduraal!’ stond er in het rood geschreven. Mooi. Kon niet missen. Wat had mijn Poolse vriendin nou zitten zeuren over Nederland? Natuurlijk kon je hier ook een roegepriek krijgen. Je moest het alleen even regelen. Dat was bij deze gedaan. Ik zag het al voor me: stralend ijsjes etend zou ik op mijn ziekenhuisbed verdoofd vanaf mijn middelste een lekker potje liggen bevallen. Heerlijk.
In de nacht van 10 op 11 oktober meldden F. en ik ons in het ziekenhuis. Mijn vliezen waren gebroken en de weeën konden elk moment beginnen. F. deed keurig wat ik hem had opgedragen. “Ze wil een ruggenprik.” De verpleegkundige fronste. “O? Nou, laten we eerste de weeën maar eens afwachten.”
Toen die zich enkele uren later om de vijf minuten aandienden, vroeg F. maar eens of er nog een arts naar me kwam kijken. Ze zetten namelijk pas een ruggenprik als je voldoende ontsluiting hebt, maar dat moet dan wel even worden vastgesteld.
“Ja hoor, de dokter komt zo,” klonk het geruststellend. Ik pufte mijn ergernis en ongeduld zachtjes weg.
Er was een wisseling van de wacht. En nog één. Iedere keer opnieuw zei F. het. “Ze wil een ruggenprik.” Steeds was de reactie hetzelfde. “O echt? Weet je dat zeker, meid? Maar je doet het juist hartstikke goed en beheerst.” ‘JA, DAT LUKT ALLEEN OMDAT IK WEET DAT IK EEN ROEGEPRIEK GA KRIJGEN!’ dacht ik. Maar ik zat te veel in mijn cocon en deed in stilte nog een pufje.
Vier uur puffen later, kwam de arts. Ze deed haar onderzoek en kwam tot de conclusie: 3 centimeter ontsluiting. “Ze wil een ruggenprik,” zei F. “O? Echt?” zei de dokter. “Dan mogen we wel opschieten.”
Weer een paar uur later stond de anesthesist aan mijn bed. Ik had inmiddels een weeënstorm. Niks weeën die op golven leken, aanzwollen en vervolgens weer in kracht afnamen. Dit was een overspoeling van weeën. “Ik ben bang dat je één lange pijnpiek hebt,” zei de arts zuinigjes. “Vervelend zeg.”
Er volgde een eindeloze reeks handelingen op mijn rug. Schoonmaken, verdoven, prikken, nog eens prikken, nog eens schoonmaken, desinfecteren. Ik doorstond het allemaal, alleen omdat ik wist: nog even en ik ben verlost. Dan heb ik hem: die felbegeerde roegepriek.
De naald schoof mijn rug in, ik voelde een vloeistof naar binnen sijpelen. “Houd nog een kwartiertje vol, meid” zei de verpleegster. “Dan gaat het middel werken.” Ik knikte.
De anesthesist gaf me een ferme hand en liep de kamer uit. Op het moment dat ze de deur achter zich sloot, riep ik tegen F.: “Druk op de alarmknop! Nu! Nu! Ik moet NU persen!”. In twee tellen tijd stond de kamer vol artsen en verpleegkundigen die driftig bakjes en natte lappen begonnen te verzamelen. Ik begreep het niet. Ik lag toch te wachten op de werking van de roegepriek? Hoezo persen? Daar had ik helemaal geen zin in. Ik wilde achterover liggen en ijsjes eten. Dat hadden we toch zo afgesproken?
Maar het was niet tegen te houden. Twee persweeën, welgeteld één minuut later, lag er een glibberig ventje op mijn borst. Het enige wat ik uit kon brengen was: "Hoe kan dit nou? Hoe kan dit nou?”. Ik werd van de verdovende medicatie afgehaald.
Vol trots kan ik zeggen: ja, het is me gelukt! Het kostte bijzonder veel moeite. Doorzettingsvermogen bovendien. Urenlang zijn we bezig geweest. Het was een enorme bevalling. Maar ik heb het voor elkaar gekregen: ik heb een roegepriek gehad. Ik had er alleen geen klote aan.
En nu zijn we al twee weken thuis met onze prachtige zoon Róman. Hij is ontspannen en huilt vrijwel niet. Ik soms wel, als ik hem door zijn donkere haartjes aai. Mijn missie is volbracht.








