Miró
Ik heb mijn laarsjes aan gedaan.De laarsjes die me de afgelopen maand niet best meer zaten, alhoewel ik de laatste was om dat toe te geven.
Boven de laarsjes een jurkje dat ik al tijden niet meer droeg.
Mijn haar is fris gewassen. Voor het eerst sinds een ruime anderhalve week heb ik mascara op.
Al met al zie ik er helemaal niet zo bibberig uit als ik me voel.
Maar bibberig voel ik me.
Verwacht van mij hier geen bevallingsverhalen, fotos van de moederkoek of andere te private ongein. Ja, het deed pijn, ja, het was spannend en ja, daarna voel je je alsof je onder een door Henk Wijngaard bestuurde vrachtwagen hebt gelegen die een keer of dertig voor en achteruit met de vlam in de pijp over je heen walste.
Maar dat verklaart de bibberigheid niet.
Ik ben voor het eerst weer buiten en het lijkt of de wereld over me heen valt. Ik had gedacht dat als mijn kind er zou zijn, ik niet zou kunnen wachten met hem tonen aan iedereen die hem wilde zien. In mijn blijdschap zou ik alles inzetten: fotos op mijn blog, smsjes, e-mails, persberichten, spandoeken, rondcirkelende vliegtuigjes boven de stad met daar achter de mededeling:
Miró is geboren!
Maar hij kwam, drie weken te vroeg, en wist me zo te verrassen dat ik spontaan compleet stil viel. Een klein Twitterberichtje kon er nog af, zo nu en dan beantwoordde ik met moeite een email of smsje van vrienden, verder stond ik op de noncommunicatiestand. Aan bezoek moest ik al helemaal niet denken. Niet omdat ik niet gelukkig was. Ik was alleen niet mijn uitbundige zelf, ik was verstild.
Ik wilde thuis zijn, met F. en urenlang naar Miró kijken. Ik wilde zo snel mogelijk leren hem goed te voeden. Ik wilde hem in slaap sussen. Ik wilde mezelf in slaap sussen. Ik wilde alle zachte, lange, donkere haartjes op zijn hoofd tellen.
Ik wilde niets, behalve hem.
Zon eerste week met een nieuw leven in huis is overweldigender dan ze in de boekjes schrijven. Het is 24 uur per dag verbijsterd, verliefd, verdwaasd en heel, heel onzeker zijn.
En dan opeens komt de dag dat je denkt: Ik trek mijn laarsjes aan.
We maken een wandelingetje. Miró krijgt er niets van mee, die ligt prinsheerlijk te slapen. Ik kijk overweldigd om me heen naar al die mensen in mijn straat op weg naar hun werk, de bakker, het café. Ik realiseer me dat veel van hen eveneens kinderen hebben. Dat ze ooit ook die eerste grote week hebben doorgemaakt. En dat ze destijds net als wij hebben gezegd dat ze het mooiste kindje van de hele wereld hadden.
Sinds 17 september jongstleden weet ik dat zij allemaal ongelijk hadden. Allemaal. Want het mooiste kindje woont bij mij.






