Het verhaal gaat
Dat toen ik een jaar of twee was
Mijn ouders met me naar het strand gingen
In de auto zat ik al opgewonden te wiebelen
Toen we het duin opliepen hield ik het bijna niet meer
Eenmaal boven op de berg
Zag ik hem
De zee!
De zee!
Ik was zo enthousiast
Dat ik me losmaakte van mijn moeder
En keihard
Ongecontroleerd
Met kleren en al
Het water inliep
Niet rekening houdend
Met de kleddernatte schurende consequenties
Voor de rest van de middag
Dertig jaar later
Loop ik weer naar boven
En ruik ik hem al
De zee!
De zee!
Als ik het water zie
Moet ik me inhouden
Om niet weer
Holderdebolder naar beneden te rennen
Ik ben ouder en wijzer
En weet
Zand en zeewater in je schoenen
Sokken, kleren en ondergoed
Is geen fijn gevoel
Maar ergens in mij
Juicht het
En ben ik blij
Dat ik nog steeds dezelfde impuls heb.
Voor altijd een beetje twee jaar.
admin, Maandag 24 September 2007 at 2:44 pm
(Waarschuwing: dit wordt een gruwelijk zoet stukje. Dan weet u dat vast. U kunt nog stoppen met lezen! Zeg niet dat ik het niet gezegd heb!)
In tijden van crisis leer je je echte vrienden kennen, zeggen ze altijd. Als het goed met je gaat, ja dan heeft iedereen tijd en aandacht voor je, maar o wee als het minder met je is, dan hoor je nog maar van een enkeling, is de onderliggende gedachte.
Ik geloofde dat ook altijd wel. Mensen houden niet van narigheid, zijn ellende-mijdend en willen vaak niet meer dan aan de oppervlakte blijven ronddobberen waarin het leven goedgoedgoed is en ook drukdrukdruk maar altijd gezelliggezelliggezellig.
Maar waar kwamen dan al die lieve smsjes vandaan?
Al die kaarten?
Al die bloemen?
Hoe kan het dat ik vaak s middags ging slapen en bij het wakker worden 4 voicemailberichten had van vrienden die bezorgd vroegen hoe het toch was en waarom ik mijn telefoon niet opnam?
Wat deden die opgestuurde knuffelbeesten in mijn huis?
Het vers gebrachte fruit?
Waar vond ik die gekken die iedere dag langskwamen, wc-papier brachten, boekjes, Hans Teeuwen op dvd, en die me aan mijn bed gezelschap hielden, zij met een biertje ik met een Rivella light want dat leek er op.
Hoe kom ik aan ouders die mijn koelkast volstopten, me dagcrèmetjes brachten in het ziekenhuis en voortdurend controleerden of het me allemaal niet te veel was?
Waarom verschenen die krabbels en privé-berichtjes op mijn Hyves en de reacties hier op Rozig?
Pas door ziek te worden kwam ik er achter hoeveel mensen ik ken.
Correctie: hoeveel lieve mensen ik ken.*
Als het waar is dat je in tijden van crisis je echte vrienden leert kennen, dan ben ik een mazzelaar. En een heel gelukkig meisje.
*(En ja, natuurlijk zitten er ook horken tussen die mensen die ik allemaal ken. Degenen van wie je niks hoort of die zeggen dat het allemaal je eigen schuld is, jij met je te drukke dynamische leven, of die meer geïnteresseerd zijn in hun eigen verhaal dan in het jouwe, of die je aanraden vooral positief te denken want als je dat meer had gedaan dan was je lijf wel gezond gebleven. Tuurlijk, die mensen ken ik dus ook. Maar ziek zijn leert je hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden. En aan bijzaken moet je geen mierzoet stukje wijden. Daar moet je überhaupt geen stukje aan wijden.)
admin, Zondag 16 September 2007 at 12:09 pm
Ik heb gefietst.
Ik heb gefietst.
IK HEB GEFIETST!!!!
Het is een mededeling van niks. Maar ik moest het toch even kwijt.
Yes! Ik heb gefietst! En ik grijns ervan. Ha!
admin, Vrijdag 14 September 2007 at 6:07 pm
Ik vind het tijd voor een ommetje.
Na anderhalve week binnen voor draaimolen te hebben gespeeld wil ik wel eens naar buiten. Ik wil niet meer onzichtbaar zijn, niet meer buiten het gewone leven staan.
Het klinkt idioot maar ik ben er zenuwachtig voor. Een haperend evenwichtsstelsel maakt onzeker. Het is alsof het navigatiesysteem in je hoofd niet werkt. Je rijdt door een onbekende stad met je TomTom aan die je blind vertrouwt en van het ene op het andere moment, natuurlijk uitgerekend als je midden over een extreem drukke rotonde rijdt, zit je in een GPS-gat en zie je op ome Tom alleen een zwart schermpje. En voor je het weet blijf je maar rondjes draaien omdat je geen idee hebt waar je er af moet.
Nou ja, zoiets is het. Ik weet heel goed waar ik heen wil, maar ik weet niet zeker of de Tomtom in mijn hoofd dat ook snapt. Maar daar kom ik alleen maar achter als ik het probeer en dus trek ik voor het eerst in tijden een jurk aan en schoenen.
Ik kijk in de spiegel en zie een smal grauw koppie en een hoop woest krulhaar. Poeh. Ik heb er wel eens florissanter uitgezien.
Ik vind mijn jas onder een stapel oude kranten, haal diep adem en open de buitendeur. Er snelt een man langs met een enorme hond. Van schrik deins ik terug. Het duurt een paar seconden voor ik me hernomen hebt. Gewoon een man met een hond, Roos. Gewoon een man met een hond.
Voetje voor voetje loop ik over mijn stoep. Ik knijp mijn ogen samen voor het licht. Het moet er wat merkwaardig uitzien, realiseer ik me, maar het is niet anders. Na een paar honderd meter begin ik een beetje te wennen. De geluiden van de straat, de zon, mijn zwalkende toestand. Maar bij mijn weerspiegeling in een winkelruit kijk ik even de andere kant op. Ik heb geen zin in mijn eigen hoofd.
Plotseling rijdt er een jongen op een brommer voorbij. Ik schrik. Hij mindert vaart en komt naast me rijden. Goeiemorgen schoonheid! roept hij en scheurt weg. Mijn flauwe fletse glimlach verandert in een stralende. Ik ben niet meer onzichtbaar.
Heel langzaam ga ik weer richting huis. Ik kijk verbaasd naar wat mijn voeten doen. Hoe ik voorzichtig de ene voor de andere zet en me zo weet voort te bewegem. Eigenlijk best knap, stel ik vast.
En dan vlak voor mijn huis zie ik hem. Het is er wel wat vroeg voor in het jaar. Maar ik voel dat ie me geluk gaat brengen. Mijn
eerste kastanje van het seizoen. Ik buk voorzichtig en steek hem in mijn zak.
Mijn TomTom werkt nog.
Het alledaagse voelt als een wonder.
admin, Donderdag 13 September 2007 at 5:03 pm
Zo.
Poepoe.
Nounou.
Zal ik het maar eens gaan proberen?
Ja, ik ga het maar eens proberen.
Ik wil mijn zaterdagkrant.
Die ligt nu in de brievenbus.
Maar daarvoor moet ik een heel steile trap naar beneden.
Twee eigelijk.
Best een uitdaging.
Maar goed, ik wil die krant.
Zo, de eerste horde is genomen.
Ik ben aardig soepel het bed uitgegleden.
Nu lopen.
Gewoon de ene voet voor de andere, Roos.
Dat doe je toch al een jaar of 30.
Tering, wat beweegt die muur ineens.
En waarom ligt het plafond op de vloer en hangt de vloer op de plek van het balkon?
Jemig, ik heb het warm.
Paar seconden zitten.
Zo, das beter.
Gewoon op mijn kont naar de trapleuning.
Hebbes.
Ene, tweeje, drieje, en ik hijs me omhoog.
En nu treetje voor treetje naar beneden.
Hoho,
dat was wat te enthousiast.
Even leunen tegen die muur.
Ok, gaan we weer.
Zwabberdezwabber.
Beef. Beef.
Jaja, bijna.
Niet vallen nu!
Houd je vast.
Hebbes.
De krant.
O en de post.
Wat een grote envelop.
Wat zou er inzitten?
Gauw openmaken.
Juistja.
Mijn startbewijs voor de Dam tot Damloop.
Grapjassen.
admin, Zaterdag 08 September 2007 at 2:17 pm
Het kan altijd slechter. Is dat een relativerende of juist een beangstigende gedachte?
De afgelopen weken heb ik t zinnetje vaak gezegd als geruststelling, tegen mezelf en tegen anderen. Ach ja, het is even klote nu maar het kan altijd slechter. Wist ik veel dat ik het bewijs daarvan zo snel zou leveren.
De afgelopen week bestond uit geluiden.
Verpleegsters die de eeuwig rammelende kar met de bloeddrukmeter voortduwen.
Het geklop van het hamertje van de neuroloog dat hij op mijn lichaam neer laat komen om te zien of mijn reflexen nog werken.
De scheepstoeterachtige herrie in de MRI-scan.
De verwarde dame in de kamer naast me die alleen maar schreeuwt. De ene keer uren achter elkaar Hallloooooo!, dan weer een hele ochtend Zuuuuuusteeeeeeer!!!!! en vervolgens tijdenlang Patrick, Paaaaaaaatriccccccck, ik wil naar huiuiuiuis!.
Patrick komt nooit.
Het gesnurk en gereutel van de man in coma aan de overkant van de gang.
Het geslof van de wel zeer onwelriekende meneer Jansen die iedere morgen als hij naar de wc gaat in zichzelf mompelt: Zo. Eens kijken of ie het nog doet.
De verpleegster die met de fysiotherapeut praat over meneer De Bruin.
Hij ligt niet in zijn bed
Nee, hij staat op het balkon.
O ja, ik zie het. Klopt het dat ie geen broek aan heeft?.
Ja, meneer De Bruin denkt soms dat hij weer in de Tweede Wereldoorlog zit en dan wil hij naakt de loopgraven in.
Ach natuurlijk.
Maar verder is hij redelijk helder hoor.
Ik hoor het allemaal maar zie het niet. Ik lig met mijn ogen dicht in een ziekenhuisbed. De gordijnen zijn gesloten, daglicht maakt me gek. De duizeligheid is zaterdag zo toegenomen dat ik alleen maar kon overgeven. Via de weekenddokter ben ik in het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis beland. Conclusie: waarschijnlijk heb ik een virale infectie aan mijn evenwichtsorgaan. Vermoedelijk heeft dat vat op me kunnen krijgen omdat mijn weerstand door al het medische gedoe zo laag was.
Ik zie twee-, drie- en vierdubbel. De aarde draait naar links, ik kan geen stap meer verzetten, zelfs rechtop gaan zitten in bed lukt me niet.
En ik wil het ook allemaal niet. Ik wil niet staan, ik wil niet eten, ik wil niets zien. Ik wil de wereld die ik anders zo graag tot me toelaat het liefst volledig buitensluiten.
Het is vijf dagen later. Hoewel nog niet genezen verklaard, mag ik naar huis. Ik probeer te lopen naar de uitgang maar moet het na tien meter opgeven. Met mijn ogen dicht laat ik me in een rolstoel naar de auto brengen. Ik wil weg hier, weg van de geluiden die me continu aan
Het dolhuis van Boudewijn Büch doen denken.
Eenmaal thuis kan ik iedere dag een beetje meer. Ik kijk een half uur naar de televisie en ben tot mijn verwondering weliswaar moe ervan maar niet uitgeput. Ik lees een halve krant, het voelt als een overwinning. Voetje voor voetje bestijg ik de trap naar boven en smeer een boterham. Het is een zegetocht, ik kan weer iets zonder hulp. Ik sta. Weliswaar wankel, maar ik sta.
Het zal nog wel even duren voor alles weer normaal is, maar ik voel dat het komt.
Inderdaad, ik weet nu: het kan altijd slechter. Maar het kan ook zeker beter.
admin, Vrijdag 07 September 2007 at 12:57 pm
|
|