Na mijn toneelrepetitie gaan we altijd nog wat drinken bij barkeepster Elsbeth, die in een klein, ietwat duister cafe werkt: de Singeltjesbar. De kroeg heeft een vrij kansloos karakter maar toch blijven we er terugkomen, omdat er altijd leverworst is en de wijn en niet in glazen wordt geschonken, maar je meteen een klein flesje krijgt. Bovendien hoor je nog eens wat. Citaat van de avond: "Ik heb zo'n hekel aan die schijtarabieren. Het zijn gewoon allemaal bosnegers, weetje." Tja, wat moet je daar aan toevoegen? Niets. Dus bestel je nog maar een flessie droge witte wijn die achteraf altijd zoet blijkt te zijn. En leverworst, veel leverworst.
admin, Dinsdag 31 Augustus 2004 at 01:28 am
Ja ja, ik weet het. Het regent al drie weken en dat is kut. Erg kut. En nat ook. En nee die twee bijwoorden ga ik nu niet met elkaar combineren, stelletje viespeuken. Ik ben hier om een vrolijke noot te zingen. Want al die regen heeft ook voordelen, heus. Let op:
Waarom het fijn is dat het regent:
- Ons dakterras is in ruime mate geïrrigeerd
- We hoeven niet meer in bikini onze adem in te houden
- We hoeven niet meer bang te zijn dat de rosé alweer is opgezopen op het balkon
- We kunnen de rosé nu gewoon lekker binnen opzuipen
- Er zijn geen files naar Zandvoort
- We zien geen patserige cabriorijders met te dure zonnebrillen op
- Connie Breukhoven komt de deur niet uit want dan stort heur haar in
- Estelle ook niet
- De auto wordt vanzelf gewassen
- We kunnen heel vaak op zn Amsterdams Het regont zeggen
admin, Vrijdag 27 Augustus 2004 at 3:15 pm
Ik weet nog steeds niet of ik het echt leuk vind. Natuurlijk, een hoofdmassage is nooit weg en bepoteld worden met lekkere geurwatertjes ook niet, maar toch... Ik krijg altijd een lichte identiteitscrisis als ik bij de kapper ben. Ik vind kappers over het algemeen namelijk wel aardig maar altijd zo walgelijk direct. Vanmiddag had ik er weer zo eentje. Toen hij het elastiekje uit mijn staart trok, begon hij heel misprijzend te kijken. "Zoooooo... dat is drooooog" tuttuttutte 'ie. "Zeker lang niet geweest?" "Een maandje of twee" verontschuldigde ik me. "Maar ja, mijn haar groeit niet zo snel..." Hij schudde zijn hoofd. "Dat betekent toch niet dat je er niets meer aan hoeft te doen???" vroeg hij verbijsterd. Ik keek naar de grond. "Nou meid, ik ga je weer beeldig maken." zei hij terwijl hij me naar de wastafel dirigeerde.
Hij ging aan de gang met shampoos, conditioners en andere oppeppers en begon daarna driftig te knippen. Intussen zat ik maar een beetje naar mezelf te turen in de spiegel. Daar heb ik het sowieso niet zo op maar bij de kapper is er geen ontkomen aan. Ik zag van alles wat eigenlijk wel een opknapbeurtje kon gebruiken. Mijn neus glom, mijn ogen stonden moe en ik had een pukkel op mijn kin. Eigenlijk had ik uberhaupt een rare kop.
De kapper werd steeds vrolijker. "Weet je dat je in principe heeeeele mooie krullen hebt?" Ik glimlachte. Kwam het dan toch nog een beetje goed met mijn ego? "Maar de volgende keer dat je met zo'n verlept bosje bij me aankomt schop ik je eruit."
En bedankt. Hier werd een vuil spelletje gespeeld. Want tien minuten later liep ik met geknipt hoofd en een tas vol cremetjes en serumpjes de deur uit. Op naar de drogist. Het is gewoon een samenzwering.
admin, Donderdag 26 Augustus 2004 at 4:31 pm
Waarom moet ik bij dit
bericht toch zo aan
De raggende manne denken?
admin, Donderdag 26 Augustus 2004 at 4:18 pm
Tatarataaa: eindelijk. Na maanden vragen ("Ja maar hoe zet je die stukjes er dan op?" "Die typ je gewoon in een veldje, Stan" "Kunnen daar dan plaatjes bij?" "Ja, Stan" "In kleur?" "Ook dat Stan" "En is het duur?" "Nee Stan") heeft vriend en collega
Stan de Jong ook een weblog. En het is nog een leuke ook. Voor iedereen die wel eens wil weten hoe het een Nederlandse journalist in Sevilla vergaat, komt kijken!
admin, Woensdag 25 Augustus 2004 at 10:03 am
Terug in Nederland duurt het even voor ik kan wennen. De Kili zit nog in mijn benen, ik voel me slapjes en probeer hard het nieuws in te halen dat ik heb gemist maar veel verder dan berichtjes over
tenenlikkers kom ik niet. Toch begint na dit nieuws het journalistieke bloed weer te kriebelen en doe ik eens wat research. Ongelofelijk maar het stikt op internet van de
voetfetishisten. Nooit begrepen. Ik vind voeten lelijke, doch noodzakelijke dingen. Maar opwindend? Overigens ontdek ik dat je niet alleen maar een voetfetish maar ook een
foodfetish kunt hebben. Dat zijn schokkende plaatjes hoor als je net een paar weken je volstrekt sexloos voelend op een Tanzaniaanse berg hebt gezeten. Poeh he. Wat je al niet met een bosje worteltjes kunt doen. Het is mij wat te veel van het goeie. Ik zap over naar de Olympische Spelen.
admin, Woensdag 25 Augustus 2004 at 09:41 am
Het kostte ons wat moeite, maar nadat we op Zanzibar diverse vlooienhotels hadden uitgeprobeerd, vonden we echt het resort van onze dromen. Toen kon eindelijk het grote uitrusten beginnen en konden we ons weer mentaal voorbereiden op de hectiek van Nederland...
admin, Woensdag 25 Augustus 2004 at 12:15 am
En zo ziet die rare grijns er dus uit...
admin, Dinsdag 24 Augustus 2004 at 6:50 pm
Dit ga ik nooit meer vergeten. Dat denk ik al die uren dat we proberen de top te beklimmen. We vertrekken rond middernacht en ik voel me nog steeds beroerd. Het vriest, boven schijnt het min 15 te zijn. Ik moet me warm aankleden, realiseer ik me. Ik vind het op deze hoogte een hele exercitie om twee broeken, 15 T-shirts, twee truien en mijn ski-jack aan te trekken. Als ik dat eenmaal gedaan heb, ben ik al doodop.
Ik besluit zo min mogelijk op mijn horloge te kijken. Voetje voor voetje schuifelen we naar boven in het donker. Het eerste gedeelte van de klim is behoorlijk steil. Er wordt niet gepraat. We zijn al lang boven de babbelgrens gekomen. Bovendien: ademen is al lastig genoeg.
Ik ben bibberig en dat leidt me af. Steunend op mijn wandelstokken probeer ik stevig de grond onder mijn voeten te vinden, maar mijn knieën willen steeds een andere kant op dan ik ze op stuur. Ik voel me draaierig en realiseer me dat ik niets gegeten heb. Papa heeft nog een energiemaaltijd, een soort appelmoes in een aluminiumzakje. Met moeite slik ik het door.
Mijn spieren gaan pijn doen, mijn hoofd voelt raar. Net als ik denk dat ik bijna niet meer verder kan, roept gids Richard, zonder dat hij me überhaupt heeft kunnen zien, dat hij mijn rugzak overneemt. Ik zou hem wel willen zoenen, mits ik de energie had. Letterlijk en figuurlijk verlicht loop ik verder. Het lijkt net of ik een Red Bull-infuus heb gehad, zo energiek voel ik me weer. Ik heb zelfs de tijd om af en toe even om me heen te kijken naar de stukken sneeuw die oplichten in het maanlicht en het witte wolkendek dat ver onder ons ligt. Dit ga ik nooit vergeten.
Bluuuuuuh. Enkele uren later wordt het F. plotseling te veel. Zomaar uit het niets klapt hij voorover en gooit zijn maaginhoud er uit. Ik ben terstond weer misselijk. We zijn aan de laatste echt zware etappe van de klim begonnen: een wand vol grint die naar Stella's point leidt. Vanaf daar is het nog maar een klein stukje, zo is ons verteld.
Het is moeilijk lopen op deze ondergrond. Een stap vooruit betekent weer twee naar beneden glijden, dus al met al schiet het niet op. Mijn lichaam gaat zich steeds heviger verzetten, net zo lang tot ook ik het niet meer houd en afscheid moet nemen van de zojuist genuttigde appelmoes. Ze kunnen de Kili beter omdopen tot Kotsrots, bedenk ik.
Ik wist niet dat zeven minuten zo lang kunnen duren. Mijn vader krijgt geen lucht meer, ik voel de grond amper, mijn tenen lijken bevroren, alles draait en Richard heeft gezegd dat het nog zeven minuten lopen is. Zeven Afschuwelijke Minuten.
Maar ze gaan voorbij en plotseling zijn we er zomaar. Stella's Point. De mannen en ik kijken elkaar een seconde verdwaasd aan en omhelzen elkaar dan. En barsten in tranen uit. Als kleine kinderen staan we te janken, het komt vanuit onze tenen. We hebben het gehaald...
Nou ja, nog niet helemaal. De Kilimanjaro blijft een verraderlijk kreng, want vanaf Stella blijkt het nog een uur lopen, of liever gezegd strompelen, voor we de daadwerkelijke top, het hoogste punt van Afrika hebben bereikt. Dat hele uur loop ik jankend en grijnzend als een volslagen dwaas over het pad te slingeren. De zon komt langzaam op. De kou voel ik al lang niet meer. Ik zie gletsjers, rotspartijen, wolken. En dan dat ene houten bordje. Uhuru Peak. Top van de vrijheid. Ik heb het echt gehaald.
Dit ga ik nooit meer vergeten.
admin, Dinsdag 24 Augustus 2004 at 5:51 pm
Gedachten voor de topbeklimming
Nou, daar lig ik dan in mijn tentje te wachten tot het nacht wordt.
Man, wat ben ik misselijk. Die pasta was niet te vreten. Oeoe, niet aan denken nu, pasta, bluh. Ik kan niet eten. Zou dat erg zijn? Ach, kotsen is veel erger, toch?
Ik heb koorts, ik voel het. Niet tegen papa zeggen want dan laat ie me nooit gaan en dan gaat ie zelf ook niet. Moeten we niet hebben. Brrr, koud. De tent schudt helemaal heen en weer door de wind. Ik word een beetje zeeziek. Ogen dicht. Beter. Mijn god wat bonkt mijn hoofd, Als ik house-dj was, zou ik heel veel inspiratie opdoen.
Wat een gekte. Ik ga gewoon niet. Het is toch ook al mooi dat ik helemaal hier ben gekomen? Tot nu toe was het leuk. Nu vind ik het helemaal niet meer leuk.
Zouden mensen het erg stom vinden als ik nu niet ga? Ik voel me echt ziek, ben bang dat ik straks zomaar omval.
Ach gelul, ik ga natuurlijk wel. Hoe erg is dat nou, een beetje omvallen?
Zouden mensen het erg stom vinden als ik wel ga? Iedereen vindt me vaak al zo'n roekeloos ongeleid projectiel. Wat als mijn lijf het niet meer doet?
Wanneer weet je eigenlijk dat je in een gevaarlijk stadium van hoogteziekte verkeert? Wanneer is het onhoudbaar? Pffft, dat soort dingen moet je mij niet vragen, ik heb thuis al moeite om mijn fysieke grenzen te bepalen.
Jezus, wat waait het.
Oké, even rationeel nu. F. voelt zich niet geweldig en papa is steeds benauwd. Als ik nou straks omval, kunnen zij me niet beneden krijgen. Heb ik genoeg vertrouwen in gids Richard? Durf ik er van uit te gaan dat hij ervoor zorgt dat ik veilig beneden kom, mocht het misgaan? Kan hij nagaan of ik echt te ziek ben of dat ik nog even kan?
Vast wel. Ik geloof er in. Ik ga.
admin, Zondag 22 Augustus 2004 at 6:54 pm
Kili dag 4
Ik begin er aan te wennen. Vrijwel iedere nacht moet ik er uit en heb ik wel even een Waarzijnwenoueigenlijkmeebezig-momentje. Zo ook vannacht. Ik schiet een vest aan over mijn ondergoed en schuifel te tent uit. Het is volle maan, de bolle top van de Kili laat zich wellustig beschijnen. Midden in het veld doe ik een plas. Om me heen zien ik een tiental tentjes die langzaam verijzen. Ik kruip weer in mijn slaapzak. Normaal is hij rood maar inmiddels slaat hij wittig uit van de kou. Ik haat kou. Wat doe ik hier eigenlijk? Snel duw ik die gedachte weg. De zin vinden in dit soort acties is pas echt zinloos. Je doet het of je doet het niet, klaar.
De volgende morgen ontbijt ik licht want we beginnen meteen met de Breakfast-wall, een helling zo steil dat veel mensen er van inspanning hun zojuist genuttigde ochtendmaaltijd onmiddellijk weer in half verteerde staat achterlaten.
Eenmaal boven begint het te betrekken. Woeste wolken omringen ons, er is geen groen meer te zien en we worden alleen nog maar omgeven door ruige bruine rotsblokken. Ik weet nu dat toppen van bergen daadwerkelijk dreigend boven je uit kunnen torenen. Het is net alsof de natuur ons wil waarschuwen, ons af wil houden van het waanzinnige plan om helemaal naar boven te klimmen. Ik word een tikje zenuwachtig...
admin, Zondag 22 Augustus 2004 at 6:41 pm
Net als ik s avonds in mijn slaapzak kruip, hoor ik opgewonden stemmen. Ik schiet er uit, bang als altijd iets te missen. Boven de Kili is in het pikkedonker een klein streepje licht te zien. Langs de bergwand komt de volle maan op. Ik voel me niet helemaal van de wereld. Sta ik daar in de vrieskou in mijn lange onderbroek naar een maansopgang te kijken...
Daarna kan ik de slaap niet vatten. Nu, boven de 4000 meter, begin ik de hoogte te voelen. Mijn hart bonkt door mijn borst heen en ik heb het benauwd. Licht gebroken sta ik de volgende morgen op. En dat terwijl we dan een van de zwaarste trips voor de boeg hebben.
Maar al vlug zit ik in mijn loopritme. Mijn hoofd bonkt vrolijk mee terwijl we langzaam door een steeds desolater ogend maanlandschap trekken. Plotseling voel ik me ongelofelijk goed. Ik ben trots op mijn lijf. Dit lichaam waar ik thuis altijd wel iets op aan te merken heb, brengt me toch maar mooi naar boven. t Is dat ik moet klauteren, anders had ik mezelf letterlijk een schouderklopje gegeven.
Na zes uur lopen bereiken we het kamp, dat in een vallei ligt omgeven door reuzenlobelias en senecias (een soort reuzecactussen van een meter of 2 hoog.) De sfeer is jolig, zeker als ook de laatste loopgroep vlak voor het eten aan komt zetten.
Onze A. eet echter niet mee. Als ik later naar mijn tentje loop, kom ik haar tegen. Ze heeft ons al dagenlang minutieus verslag gedaan van de staat van haar ontlasting (dun) en hoe regelmatig ze wel niet moet (vaaaaak). Nu zegt ze me doodleuk: Ja, ik had er geen zin meer in hoor, steeds te moeten stoppen dus heb ik vandaag alles maar laten lopen. Dus ik dacht: Ik ga maar alleen eten, want ik wilde jullie eetlust niet bederven... Juist ja. Typisch een gevalletje van Too much information...
admin, Zondag 22 Augustus 2004 at 6:27 pm
Zelden was de
titel van een schilderij toepasselijker dan nu. Bring me baaaack!
admin, Zondag 22 Augustus 2004 at 2:52 pm
Wat een gedoe met die haringen. Moet dat echt?
Waar is die hoofdlamp nou?
Hoezo, ik kan niet met mijn modderpoten in mijn tent? Het is toch mijn tent? Ok, ok, was even vergeten dat ik schoenen aan had.
Ik kan mijn oordoppies nergens vinden.
He, Roos, B en ik hebben net zitten stereopoepen!
Zeg, F., wat trek jij vanavond aan? Toch niet weer je ritsbroek?
Ik snap het niet, net had ik die malariapillen nog.
Wie gaat slapen met een jeukende kont, wordt wakker met een stinkende vinger, zo luidt een oud-Canadees spreekwoord.
Zeg P. Er zit iets wits om je mond. Is dat tandpasta of is een van de snuffels vannacht je tent binnen geslopen?
Mijn matje is nat.
Mijn slaapzak ook trouwens.
En mijn tas.
Heb je je fles water omgegooid?
Eeeehm, nou, wel mijn fles. Waar ik s nachts in plas.
"Too much information!"
Zeg F, hebben we nog ergens wc-papier?
Die wc is weer een gat in de grond. Waarom snapt nou niemand dat je er in en niet omheeeeeen moet schijten?
Dat gaat zo lastig met diaree. Dat sproeit.
Bedankt voor de info.
Ik wil wat kopen. Zouden ze hier ergens een Mars hebben?
Waar heb ik mijn schoenen nou weer liggen?
Heb je nou alweer dat witte t-shirt aan. Dat is inmiddels bruin!
Nietes. Hier is nog een streepje wit.
Aaaaaah, nee, nou ligt mijn tandenborstel helemaal onder in mijn tas. Aaaargh.
Kut-tent, kut-haringen, kut-tas. Ik wil een beeeeeeed!
admin, Zaterdag 21 Augustus 2004 at 6:12 pm
Wie had dat gedacht? OP bijna 2000 meter hoogte lig ik languit in het zonnetje voor mijn tent. Het is winter, officieel hoort het hier een grote modderpoel te zijn, maar niks, wij kunnen bakken.
Vannacht echter heeft het tegen het vriespunt aan gezeten. Na de eerste wandeldag eten we spaghetti in de eettent (een paar stokken met een stuk zeil erop). Direct daarna gaat iedereen naar bed, niet omdat we zo moe zijn maar omdat buiten blijven domweg onaangenaam is vanwege de kou.
Met hete thee in een waterfles maken we kruiken. 1 probleem: du moment dat ik me helemaal heb geïnstalleerd in mijn warme slaapzakje moet ik plassen. Vanwege de hoogte drinken we liters water en thee. Stelregel is dat er per duizend meter stijgen 1 liter bijkomt bij de normale liter die je al moet drinken. Ik zit nu dus op 5 liter per dag. Je moet wel een megablaas hebben, wil je niet voortdurend plasdrang hebben. 's nachts word ik een aantal keer wakker van een bijna knappende blaas, maar ik verdom het, ik ga de vrieskou niet meer in.
Om half 7 's ochtend houd ik het niet meer en snel naar de wc. Dat is een houten hokje met flondervloer waarin een gat is gemaakt. Het stinkt en de deur kan niet dicht, dus ik probeer met mijn broek op mijn enkels met 1 hand de deur dicht te houden en verder zo min mogelijk te ademen vanwege de stank. Probeer dan nog maar eens te plassen... Ik besluit het voortaan anders aan te pakken. Die houten hokken hoef ik niet meer van binnen te zien, ik doe het wel in het bos. Ik lach om mezelf. Thuis kan ik niet eens plassen als ik het vermoeden heb dat anderen me kunnen horen, hier laat ik alles lopen achter de eerste de beste varen.
De twee klimdag valt me alweer mee. Ik voel me beresterk. Zo nu en dan klauteren we langs eng smalle richeltjes, maar terwijl ik dat doe, geniet ik voornamelijk van het uitzicht. Het dal en de bossen strekken zich steeds breder en weidser onder ons uit. Het verbaast me hoe groen het er nog is. Ik pluk kamillebloemetjes en waan me eventjes Heidi. Eitje, die Kili!
admin, Zaterdag 21 Augustus 2004 at 5:56 pm
De nacht voordat we aan onze eerste klimdag op de Kilimanjaro beginnen, zijn we stuk voor stuk ietwat zenuwachtig. Een week op zon berg waar je niet zo snel afkunt. Een week in tenten. Een week afzien. Hoe bereid je je daar op voor?
Tot ver in de avond zijn we bezig met onze tassen. We kunnen alleen het hoognodige meenemen, omdat het anders te zwaar wordt voor de dragers. Zij sjouwen onze grote tassen naar boven, wijzelf doen het met een dagrugzakje. Maar wat doe je daar dan weer in? Vest, extra T-shirt, fleece, regenjas, regenbroek, zonnebrand, muziek, eten? Ja, ja, ja, allemaal nodig. Steeds tref ik weer iets nieuws in mijn bagage waar ik tijdens het lopen niet zonder denk te kunnen. Ik lijk Estelle wel die haar beautycase inpakt voor een dagje strand.
De volgende morgen rijden we met een busje naar de gate. Het is de laatste keer voorlopig dat we dorpjes zien, huizen, scholen. We gaan op naar de onbewoonde wereld. We stoppen even bij de slager. Aan een houten veranda bungelen immense stukken zwoerd in de zon. Ik zie hoe de kok een groot stuk koe inkoopt en neem me voor de komende week vegetariër te worden.
Bij de ingang van het Kilimanjaro-park schrik ik. Achter een houten hek staan tientallen Tanzaniaanse mannen te smeken om een van onze dragers te mogen zijn. Terwijl wij ons zelf ietwat bedeesd afvragen of wij die enorme berg eigenlijk wel echt op willen, is het voor hen pure noodzaak, want drager zijn, betekent werk hebben. Hoofdgids Richard wijst de jongens aan met wie hij de berg op wil. De anderen hebben pech en druipen af. IK vraag bijna of een van hen mijn plaats in wil nemen. Lafaard die ik ben.
De uitverkoren dragers nemen onze tenten en grote bagage over en beginnen rap aan de klim naar boven. Terwijl wij inmiddels ook zijn gaan lopen, worden we zo nu en dan ingehaald door een van de snuffels (een vriend van mijn pa heeft die naam ooit voor de dragers bedacht. Vraag me niet waarom...). Terwijl ze ons passeren met een tas op hun hoofd en een pakket op hun rug met keukengerei er aan gehangen en soms ook een doos eieren voor t ontbijt, roepen ze ons toe: Pole pole (rustig aan).
We doen ons best zo langzaam mogelijk te lopen, maar eerlijk gezegd is deze eerste klim een eitje. Door dichtbegroeid bos loopt een redelijk breed pad dat we domweg moeten volgen. De weg is droog en goed begaanbaar. Het is warm, de zon brandt op het bladerendak. Hoezo regenwoud???
Inmiddels weet ik hoe groen ruikt. Tussen de groennuances van de bomen, mossen, varens en lianen hangt een friszure lucht. Papa, B, P. en ik bereiken na vier uurtjes het eerste tentenkamp. F. en de reisleider zitten ons daar al op te wachten met een Kilimanjaro-biertje in de hand. Het zal de komende dagen het laatste slokje alcohol blijken te zijn. Het kan immers alleen nog maar erger worden...
admin, Zaterdag 21 Augustus 2004 at 5:51 pm
Hahaha, deze
inbreker verdient in ieder geval een originaliteitsprijs...
admin, Vrijdag 20 Augustus 2004 at 12:53 pm
Zucht.... Wat is sport toch mooi...
admin, Donderdag 19 Augustus 2004 at 12:50 pm
We wandelen door een dorp waar we uitleg krijgen over de bananenplantage. De uitleg duurt eindeloos en de informatie wordt steeds herhaald. Je hebt gele bananen en zwarte. Je hebt grote en kleine. Sommige eet je rauw. Andere bak je. De boom moet zo en zo groot zijn wil je kunnen oogsten. Ik ben opstandig, moe en warm. Ik mompel tegen mijn vader dat ik amper weet hoe een krop sla groeit en dat me dat ook niet boeit. Ik heb het gehad. Na die vulkaan hebben we ons amper kunnen wassen. Ik plak en ik stink.
We slenteren achter de gids aan over een landweggetje. Plotseling voel ik iets in mijn linkerhand schuiven. Geschrokken kijk ik wat het is. Het piepkleine bruine knuistje van een klein meisjedat parmantig naast me loopt. Er komen steeds meer kleintjes aan en al snel loop ik hand in hand met een hele kinderschare. Praten doen ze eigenlijk helemaal niet, ze willen alleen vlakbij me lopen.
Als er eentje struikelt pak ik hem op. Hij kijkt verwonderd en nestelt zich dan dicht tegen me aan. Zijn kroeshaartjes kriebelen onder mijn kin. Dat ik stink kan hem niks meer schelen. En mij lekker ook niet.
admin, Woensdag 18 Augustus 2004 at 3:00 pm
Kan ik slapen op een rotsblok als het min 5 graden is en de wind me bijna wegblaast?
Ja, dat kan ik.
En kan ik daarvoor van 23 uur s avonds tot 5 uur s morgens een vulkaan beklimmen?
Ja dat kan ik.
Klauterend door de gestolde lava, me als een aapje op handen en knieën voortbewegend?
Ja, dat kan ik.
Met alleen het licht van de maan en een hoofdlampje op mijn hoofd, met knikkende knieën, open handen van de almaar afbrokkelende lava, alleen luisterend naar mijn ademhaling en mijn vader die zo nu en dan wanhopig uitroept: Ik krijg geen lucht!?
Ja, dat kan ik.
Maar wil ik het ook?
Dat vraag ik me voortdurend af als we El Doinyo Lengai beklimmen, een vulkaan van 2889 meter. Een beklimming die geldt als een goede oefening voor de Kili straks.
In eerste instantie valt het me allemaal reuze mee. Zelfs mijn schoenen die ik nooit heb ingelopen (ik ben een lakse trut) zitten als gegoten.
Al snel valt onze reisgroep in drie plukjes uiteen. Het lukt me om met de mannen bij de voorste ploeg te blijven. Aaipotje op, Coldplay zingt me naar boven.
Maar langzaam aan wordt de berg steiler en de ondergrond brozer. Lava is raar spul. Als een smeulende, vloeibare massa doodt het alles wat het kan bedekken. Eenmaal afgekoeld ziet het er keihard uit, maar is ook dan verraderlijk want het brokkelt uiteen zodra je er druk op uitoefent. Dat is op zijn zachtst gezegd onaangenaam als de berg als een muur boven je uittorent en je weet dat je die muur ook op moet.
Ik vraag me af en toe paniekerig af of ik het wel red, die Kili, als ik dit al zo zwaar vind. En ik leer mezelf een mechanisme aan dat me de rest van de reis nog vaak van pas zal komen. Niet Denken! Gewoon, de ene voet voor de andere blijven schuiven. Het hoofd leeg houden. Niet Denken aan de onzinnigheid van de exercitie. Niet Denken aan de zwaarte. En vooral Niet Denken dat je het niet haalt.
De methode werkt. En daardoor haal ik de top. We blijken veel te vroeg te zijn. De zon zal nog anderhalf uur op zich laten wachten. Ik krul me op tegen een lavamuurtje en val onmiddellijk in slaap.
Als ik wakker word, gloort er een piepklein oranje streepje aan de horizon. We lopen verder over de krater. Zo nu en dan klinkt er onheilspellend gerommel. De vulkaan werkt nog steeds. We gaan zitten om de zon te zien stijgen en voelen iets vreemds aan onze billen. De vulkaan heeft een natuurlijke vloerverwarming, door de lava die onder de hard geworden stenen stroomt. Ik pel een mandarijntje en tuur over het merkwaardige maanlandschap.
Ja, dit wil ik.
admin, Woensdag 18 Augustus 2004 at 12:13 pm
Jemig, wat een zeikerds! Weet je wat pas erg is?
Poepen in een Tanzaniaans bos dat al besmeurd is met diaree!
admin, Maandag 16 Augustus 2004 at 10:52 am
Ik heb lang gedacht dat Azië mijn continent is. Toen ik tien jaar geleden een rondtrip door Indonesië maakte, voelde ik me daar zo senang dat ik me niet voor kon stellen dat er meer werelddelen waren waar ik zo gelukkig kon zijn.
Maar nu heb ik een nieuwe minnaar ontdekt: Afrika. Een continent dat voor veel mensen gelijk staat aan droogte en armoede. En inderdaad Tanzania is arm, droog en heet, maar ook vruchtbaar, stralend en vrolijk.
Als er een woord op Tanzanianen van toepassing is, dan is het wel enthousiasme. Overal waar we met onze truck rijden worden we door de Masai-mensen langs de kant van de weg toegeschreeuwd. Jambooooo, (hallo) klinkt het voortdurend. We krijgen lamme armen van het zwaaien.
De ongekunsteldheid van de Masai fascineert me. Vaak heb je als toerist het gevoel dat je ietwat in de maling wordt genomen als je in je Indonesische hotel toevallig wordt onthaald door een Javaanse danseres of als er een sombrero in je Mexicaanse hotelkamer hangt.
Maar dit Afrikaanse krijgersvolk is volstrekt authentiek. De rode gewaden worden altijd, dag en nacht, gedragen, toeristen of niet. De dorpen zijn geen neergezette vestigingen waar toeristen even Masaitje kunnen spelen, nee, in deze hutten, gebouwd van klei en stront, wordt gegeten, gevreeen, geslapen, geleefd.
Juist doordat er soms plotseling een westerse, moderne invloed doorklinkt, weet ik dat we niet in de zeik worden genomen. Iedere Masai heeft bijvoorbeeld een mobiele telefoon. Dat is maar wat handig, vertelt onze reisleider F., want soms wil hij een vriend bezoeken, maar blijkt bij aankomst diens dorp niet meer te bestaan. De nomaden zijn alweer verder getrokken. Toch fijn als je dan even kunt bellen met de vraag waar de nieuwe behuizing staat.
De Masai doen geen enkele poging hun mobieltje te verbergen. In hun krijgsgewaden met enorme uitgerekte oorlellen en behangen met kettingen staan ze op straat een potje te bellen. Dit is de manier waarop zij leven, take it or leave it.
Zelf kijken ze ook niet op of om van onze manier van leven. Op een dag treffen we midden op een drooggevallen meer twee Masai-vrouwen aan die kettinkjes proberen te verkopen. Engels spreken ze niet, maar door hun gebaren naar onze truck begrijpen we dat ze een lift willen. Geen probleem, met hun tengere lijfjes passen ze er makkelijk bij.
Plotseling gaat de telefoon van mijn vader die naast een van hen zit. Hij neemt op en begint een heel gesprek over zaken en huizenprijzen in Nederland. De Masai naast hem kijkt onverstoorbaar naar buiten. Als ik een foto van haar neem, lacht ze haar tandeloze bekkie bloot. Het contrast tussen mijn grote vader en dit broodmagere vrouwtje had niet groter kunnen zijn en toch zitten ze naast elkaar alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
Als we bij het dorp van de dames zijn, staan ze op en geven ze iedereen wel drie keer een handje. Jambo! Jambo Mambo! Het klinkt nog een hele tijd in mijn oren.
admin, Zondag 15 Augustus 2004 at 2:51 pm
De eerste week van onze reis trekken we met een open legertruck van camping naar camping. Hutjemutje naast elkaar, onze ogen bedekkend tegen het opstuivende fijne zand maken we kennis met elkaar (de 14 deelnemers aan deze individuele groepsreis) en het land. In beide gevallen worden we regelmatig verrast.
Wat de groep betreft; we zijn een op zijn zachtst gezegd heterogeen gezelschap. Van Amsterdammers met een grote bek (eeeh, wij dus) tot beschaafde Antwerpse dames en alles wat daar tussenin zit. De leeftijd varieert van 25 tot 62.
Iedereen heeft uiteraard zijn eigenaardigheden, maar die van A., een alleenstaande Limburgse vrouw van in de vijftig, springen het meest in het oog .
We zijn A. namelijk van meet af aan voortdurend kwijt. Ietwat verdwaasd loopt ze rond, behangen met plastic zakjes waar ze haar persoonlijke bezittingen in bewaart en gezegend met een ongekend talent overal de verkeerde rij, foute afslag of onhandigste route te kiezen. Zelf vindt ze dat de gewoonste zaak van de wereld en al snel wennen wij er ook aan. Waar is A.? Oh, gewoon, kwijt ofzo.
Zelf is A. ook constant dingen kwijt. Op een dag zit ze in de truck tegenover me en is weer eens hevig aan het zoeken. Ben je wat kwijt, A.? vraag ik. Ja, de lensdop van mijn camera, antwoordt ze. Misschien zit ie in je kruis, ontglipt me. Soms zeg ik dingen waarvan ik zelf niet weet waar ze op slaan. En dit slaat natuurlijk nergens op. Of toch?
A. frummelt haar hand in haar broek en verrek... daar is de lensdop! Vanaf dan weet ik het helemaal zeker: dit wordt een bijzondere trip.
admin, Zondag 15 Augustus 2004 at 2:29 pm
Al na twee dagen in de Tanzaniaanse bush weet ik het: mensen zijn onvoorstelbare viezeriken. De frisse opgepoetstheid, die zogenaamde beschaving waarmee we ons omgeven, is niets meer dan een dun laagje vernis waarmee we onze ware, ronduit gore aard mee proberen te verhullen. Na welgeteld 48 uur zijn onze nagels zwart, onze haren dof, begint het lichaams- en gezichtshaar weelderig te tieren en raken we immuun voor onze eigen vieze luchtjes.
Je zou het ook positiever kunnen zien door te stellen dat we gewoon kameleontisch gedrag vertonen. De eerste dagen van de trip zitten we namelijk in een wildpark, dus wat is er toepasselijker dan zelf een beetje te verwilderen?
Met name mijn vader en zijn vriend P. scheppen er onvoorstelbaar veel genoegen in om zich zo vies mogelijk te maken. Hoezo schone onderbroek? roept de een. Als deze op is loopt ie vanzelf wel weg, hahaha. Waarna de ander opmerkt: Vlek in mijn broek? Nee joh, dat is gewoon schutkleur.
B., de zoon van P., ik en geliefde F. walgen in eerste instantie van die opmerkingen en doen nog manmoedige pogingen om ons een beetje fris te houden. Maar ja, zet jij maar eens een tent op tussen de zebrastront zonder te zweten. En poep jij maar eens in een gat in de grond, zonder te stinken. En probeer jij je maar eens nat te scheren zonder stromend water.
Ik besluit me er aan over te geven. Ik, het meisjemeisje uit de grote stad dat het liefst rondloopt op hoge hakken en in hippe jurkjes bind een doek om mijn haar, zodat ik het niet meer hoef te kammen, veeg mijn neus af aan mijn mouw, was me min of meer met vochtige zakdoekjes en besluit de komende weken te gaan wonen in mijn afritsbroek. Spiegels hoef ik niet te zien. Who cares als je op een open truck door de Afrikaanse wildernis boldert en plotseling oog in oog staat met een kudde olifanten?
admin, Zondag 15 Augustus 2004 at 2:08 pm
|
|